Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Gelderland 130917 whiplash; Delta V 4-8 km/u, causaal verband niet aangetoond, inconsequenties en aggraveren klachten tijdens neuropsychologisch onderzoek

Rb Gelderland 130917 whiplash; Delta V 4-8 km/u, causaal verband niet aangetoond, inconsequenties en aggraveren klachten tijdens neuropsychologisch onderzoek

2. De feiten 

2.1. 
Op 5 maart 2012 heeft er in Ede een verkeersongeval plaatsgevonden (het ongeval). Daarbij is een door X bestuurde auto van achter aangereden door een auto die bestuurd werd door een verzekerde bij Allianz. Allianz heeft de schade voor de in redelijkheid aan het ongeval toe te rekenen schade erkend. 

2.2. 
X was ten tijde van het ongeval op basis van een tijdelijk contract werkzaam als administratief financieel medewerker bij Stichting Z, via uitzendbureau Studentenwerk. X is na het ongeval naar haar werk gegaan, heeft zich daar echter ziek gemeld en heeft een aantal uur na het ongeval de huisarts bezocht met nek- en armklachten en misselijkheid. 

2.3.
X is na enige tijd weer gedeeltelijk gaan werken. Haar arbeidscontract liep op 1 augustus 2012 af en is niet verlengd. X heeft vanaf maart 2012 (gedeeltelijke) ziektewet- en WW-uitkeringen ontvangen. Nadat zij vanaf 13 juli 2015 een zwangerschaps- en bevallingsuitkering heeft ontvangen van het UWV en zij per 21 februari 2016 niet meer arbeidsongeschikt op grond van zwangerschap werd beschouwd heeft zij een WIA-aanvraag ingediend op grond van arbeidsongeschiktheid vanwege nek- en schouderklachten en concentratie- en geheugenproblemen. Deze aanvraag is afgewezen. X heeft tegen deze afwijzing door het UWV een procedure ingesteld. 

2.4. 
X en Allianz hebben onderhandeld over de schadeafwikkeling. Het schadebureau ITEB heeft namens Allianz de onderhandelingen met X gevoerd. X is op kosten van Allianz een multidisciplinair traject bij het DBC te Amersfoort gestart. 

2.5. 
Naar aanleiding van een door Allianz uitgevoerde delta v-rapportage, waarin staat dat berekend is dat X bij het ongeval een resulterende delta v (snelheids- verandering) van tussen de 4,0 en 8,0 km/uur heeft ondergaan, heeft ITEB op 14 februari 2013 aan X bericht dat haar medisch adviseur van oordeel is dat de verminderde arbeidsgeschiktheid van X niet kan worden toegerekend aan het ongeval, dat het DBC traject moet worden gestopt en dat van verdere bevoorschotting geen sprake zal zijn. 

2.6. 
Tussen partijen is nadien verder gecommuniceerd over de verdere afwikkeling van de schade. X heeft een verzoekschrift in gediend voor een voorlopig deskundigenbericht met benoeming van een neuroloog en een neuropsycholoog voor het verrichten van dat onderzoek. 

2.7. 
Bij beschikking van 12 november 2013 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (vindplaats onbekend, red. LSA-LSM), een voorlopig deskundigenbericht bevolen en, met instemming van beide partijen, als deskundige benoemd neuroloog dr.H. Bernsen (verder: Bernsen). De beslissing ten aanzien van het verzoek voor een voorlopig deskundigenonderzoek door een neuropsycholoog is in afwachting van het onderzoek door Bernsen aangehouden. 

2.8. 
In zijn deskundigenbericht van 3 april 2014 schrijft Bernsen in hoofdstuk V. onder het kopje "beschouwing": 

Betrokkene is op 05-03-2012 in de auto van achter aangereden, er bestaat onduidelijkheid over de impact van deze klap. [ ... ] Na het ongeval heeft betrokkene ongeveer l,5 uur geen klachten gehad en daarna ontwikkelde ze tintelingen in de linker bovenarm en schouder, verder misselijkheid en braakneigingen en vervolgens vermoeidheidklachten en hoofd- en nekpijnklachten naast cognitieve klachten. Deze klachten zijn door de huisarts en diverse andere behandelaars medisch gedocumenteerd en er worden ook cognitieve klachten genoemd. Bij lichamelijk onderzoek worden aanvankelijk geen bewegingsbeperkingen van de CWK [de cervicale wervelkolom; de rechtbank] beschreven, later wordt er wisselend door de verschillende onderzoekers gesproken van een beperkte functie van de CWK en hypertone nekspieren waarbij moet worden aangetekend dat de huisarts al voor het ongeval in 2011 eveneens melding maakt van beperkte nekbewegingen bij duizeligheidsklachten (zie antwoord op vaag 3 mr. Keizer). Van belang is om te vermelden dat geen van de behandelaars neurologische afwijkingen heeft vastgesteld. Klaarblijkelijk dacht de huisarts in eerste instantie aan een hersenschudding vermoedelijk vanwege de braakneigingen en misselijkheid, later wordt gesproken van nekklachten en een whiplash. Verder wordt door de behandelaars onder meer gesproken van myogene schouderklachten na doorgemaakt flexie/extensietraurna, een WAD II, CANS-syndroom Uit de correspondentie van DBC en fysiotherapeuten valt op te maken dat behandeling van de klachten van betrokkene weinig effect heeft. In overeenstemming met de onderzoeksbevindingen in de behandelende sector worden bij het huidige neurologische onderzoek geen neurologische afwijkingen vastgesteld. Met name worden er geen aanwijzingen gevonden voor een cervicale myopathie, cervicaal radiculair syndroom of plexus brachialisletsel dan wel perifeer zenuwletsel waarmee de nekklachten van betrokkene (en het persisteren daarvan) kunnen worden verklaard. De afwezigheid van neurologisch letsel wordt overigens bevestigd middels het MRI-onderzoek van de cervicale wervelkolom d.d. 9-4-2013. Verder heeft betrokkene bij het ongeval geen contact letsel van de schedel gehad, is niet buiten kennis geweest en liep geen uitwendige schedelverwondingen op en derhalve is er ook geen noemenswaardig traumatisch hoofd/hersenletsel geweest. Een neurologische verklaring voor de door betrokkene ervaren cognitieve klachten en verschijnselen van mentale vermoeidheid kan daarom niet worden geleverd. Aangezien er geen aanwijzingen zijn voor structureel hersenletsel is er om neurologische redenen ook geen indicatie voor een neuropsychologisch onderzoek. Ook voor de overige door betrokkene aangegeven klachten kan geen neurologische verklaring worden geboden. 
Uit de medische correspondentie is wel af te leiden dat er andere factoren een rol kunnen spelen bij het in stand houden van de klachten van betrokkene nog afgezien van de verschillende lezingen over de impact van de botsing en de daarmee samenhangende discussie of er op basis van de inwerkende krachten al dan niet voldoende grond is om aan te nemen of daardoor letsel kan zijn ontstaan. In dit verband wordt onder meer gesproken van herstelbelemmerende privé spanningen, het onvoldoende hanteren van een adequate copingstijl en over pijnvermijdend gedrag en bewegingsangst met als gevolg deconditionering. Het behoort niet tot mijn vakgebied om over deze problematiek een uitspraak te doen, doch een psychiatrische expertise kan in dit geval meer duidelijkheid verschaffen over de rol die deze factoren spelen bij (het onderhouden van) de klachten van betrokkene. Eveneens zou door de aanwezigheid van herstelbelemmerende factoren kunnen worden verklaard waarom de vrij uitgebreide behandelingen van betrokkene nauwelijks effectief zijn gebleken. 
Samenvattend is er geen neurologische verklaring voor de door betrokkene aangegeven persisterende nek- en hoofdpijnklachten en overige klachten in relatie tot het ongeval op 05-03-2012 nog afgezien van de vraag of de inwerkende krachten die tijdens de botsing zijn ontstaan, voldoende zijn geweest om letsel te veroorzaken. Een psychiatrische expertise is aan te bevelen.
 

Bernsen heeft de navolgende vragen die hem waren voorgelegd als volgt beantwoord: 

1. De situatie met ongeval [ ... ] 
Consistentie 

d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek? [ ... ] 
Antwoord:
d. De gegevens zoals door betrokkene zijn medegedeeld komen in grote lijnen overeen met de informatie uit de behandelende sector. Zowel bij het huidige neurologisch onderzoek, maar ook bij het neurologisch onderzoek in de behandelende sector worden geen neurologische afwijkingen vastgesteld. 
[ ... ] 
Diagnose 
f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven? 
Antwoord:
Er kan geen verklarende neurologische diagnose worden gesteld voor het ontstaan en aanhouden van de klachten van betrokkene. Zie hiervoor ook de beschouwing in hoofdstuk V. 
Beperkingen 
g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? [ ... ] 
Antwoord:
g. Aangezien er geen neurologische afwijkingen worden vastgesteld, kunnen er ook geen neurologisch beperkingen worden aangegeven als gevolg van het ongeval. [ ... ] 

2. Situatie zonder ongeval [ ... ] 
c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen? 
[ ... ] 
Antwoord:
c. Hoofd- en nekpijnklachten komen tamelijk frequent voor in de niet getraumatiseerde bevolking. De huisarts beschrijft in dit verband al voor het ongeval een beperkte functie van de cervicale wervelkolom (zie antwoord op vaag 3 mr. Keizer). Het kan daarom niet worden uitgesloten dat betrokkene ook in de situatie zonder ongeval eveneens hoofd-en nekpijnklachten zou hebben gehad, waarbij overigens dient te worden opgemerkt dat hierbij doorgaans geen neurologische oorzaak voor wordt gevonden. Het is voor ondergetekende niet mogelijk om in de situatie van betrokkene aan te geven met welke mate van waarschijnlijkheid de hoofd- en nekpijnklachten in de situatie zonder ongeval aanwezig zouden zijn geweest. Evenmin kan worden aangegeven op welke termijn en in welke omvang deze klachten er dan zouden zijn geweest en in hoeverre er op termijn verbeteringen of verslechteringen zouden kunnen worden verwacht. Zoals in bovenstaande reeds is aangegeven berusten de hoofd- en nekpijnklachten meestal niet op objectiveerbare neurologische afwijkingen en derhalve kunnen bij deze klachten in het algemeen geen neurologische beperkingen worden aangenomen. 

Op de hierna weergegeven vragen van (de advocaat van) X antwoordt Bernsen: 

1. Naar aanleiding van het antwoord-op vraag 1d wordt gevraagd of wordt bedoeld of hetgeen betrokkene in de anamnese heeft medegedeeld, overeenkomt met de anamneses in de medische correspondentie. 
Bedoeld wordt aan te geven dat hetgeen door betrokkene wordt gemeld aan gebeurtenissen en klachten inderdaad in grote lijnen overeenkomt met de opgetekende anamneses in de behandelende sector. Daarnaast is echter in dit opzicht ook van belang dat in de behandelende sector geen neurologisch afwijkende bevindingen zijn gevonden hetgeen eveneens overeenkomt met de bevindingen tijdens het huidige neurologische onderzoek. 
2. De medisch adviseur van mr. Keizer vraagt zich af waarom de diagnose postwhiplashsyndroom/langdurige klachten na flexie/extensie trauma niet is gesteld of in de differentiaal diagnose is overwogen. 
De vraag is in dit verband onder meer zoals is aangegeven in de beschouwing in hoofdstuk V, of er sprake is geweest van een noemenswaardig flexie/extensie trauma en daarnaast dient in dergelijke situaties wel duidelijk te zijn dat de klachten en het aanhouden daarvan niet door andere factoren dan het trauma kunnen worden verklaard wil men de "diagnose" postwhiplashsyndroom/langdurige klachten na flexie/extensie trauma (zie hiervoor de beschouwing in hoofdstuk V). Verder geeft de term postwhiplashsyndroom zoals ook door de medisch adviseur van mr. Keizer wordt aangegeven, een subjectief symptomencomplex aan waarbij geen objectiveerbare schade kan worden vastgesteld. Zonder overigens teveel in te gaan op de discussie rondom de terminologie (zie CBO richtlijn whiplash 2006 pg. 13 en 14) kan men zich afvragen in hoeverre vanuit diagnostisch oogpunt de term postwhiplashsyndroom of langdurige klachten na een flexie/extensie trauma als een verklarende diagnose kan worden opgevat dan wel alleen slechts aangeeft dat er nog klachten na een trauma aanwezig zijn en dus meer als een beschrijvende diagnose moet worden opgevat. 
3. Dit betreft een toelichting van de huisarts op de notitie in het huisartsenjournaal d d. 20-05-2011 waaruit ondergetekende heeft opgemaakt dat er sprake was van een iets beperkte nek. Uit het schrijven van de huisarts van 10-3-2014 is af te leiden dat dit niet het geval was. 
Als men van de nagekomen informatie van de huisarts van 10-3-2014 uitgaat, is er geen voorgeschiedenis van nekbeperkingen. Overigens is ondergetekende dan niet duidelijk wat er wordt bedoeld met de notitie "iets beperkt" in het huisartsenjournaal d.d. 20-05-2011. In de desbetreffende passages in de rapportage is wat dit betreft naar dit antwoord verwezen. 
4. De vraag luidt of er een toelichting kan worden gegeven op het antwoord op vraag 2c namelijk dat hoofd- en nekklachten tamelijk vaak voorkomen bij de niet getraumatiseerde bevolking. 
Een aardig overzicht waarin bovenstaande vragen worden beantwoord, is te vinden in "Huisarts en Wetenschap, 50 (13) 2007, pg 660: De behandeling van aspecifieke nekklachten. Een systematisch literatuuronderzoek.". Dit artikel is te vinden op het internet adres: [ ... ] Hierin is te lezen dat "dertig procent van de bevolking in de loop van een jaar weleens last heeft van nekklachten, de puntprevalentie in de bevolking op 10-15% ligt en de life time prevalentie op 70-80% waarmee nekpijn na lage rugpijn en schouderpijn de meest voorkomende klacht van het bewegingsapparaat is. Het arbeidsverzuim ten gevolge van nekklachten ligt in dezelfde orde van grootte als dat van lage rugklachten: circa 14% van de geregistreerde arbeidsongeschikten is arbeidsongeschikt vanwege rug gerelateerde aandoeningen. 

2.9. 
Na ontvangst van het voornoemde deskundigenbericht heeft X te kennen gegeven te persisteren in haar verzoek tevens een neuropsycholoog te benoemen. Bij beschikking van 2 september 2014 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (vindplaats onbekend, red. LSA-LSM), alsnog op dat verzoek beslist en een voorlopig deskundigenbericht bevolen door een neuropsycholoog en daartoe, met instemming van beide partijen, als deskundige benoemd neuropsycholoog dr. J. Bruins (verder Bruins). 

2.10. 
In haar deskundigenbericht van 5 mei 2015 2014 schrijft Bruins : 

Symptoom-validiteit 
In dit onderzoek worden tests afgenomen die gevoelig zijn voor het detecteren van onderpresteren. Dergelijke tests mogen in een neuropsychologische expertise niet ontbreken, met name niet bij het objectiveren van letselschade. Immers, om cognitieve functies zo objectief mogelijk te meten, dienen factoren zoals een verminderde inzet, uitgesloten te worden als mogelijke oorzaak van het cognitieve disfunctioneren. Een positieve uitslag betekent dat de cognitieve functies niet betrouwbaar zijn te meten. Hierdoor is het voor de neuropsycholoog in kwestie niet mogelijk om de resultaten betrouwbaar (reële capaciteit) te interpreteren. Er bestaan op basis van een positieve uitslag namelijk aanwijzingen voor een verminderde prestatie-motivatie, waardoor testprestaties onder het werkelijke niveau (capaciteiten) van betrokkene liggen. Onderpresteren wil. niet zeggen dat er geen sprake is van een (cognitieve) beperking. Het betekent wel dat - als er beperkingen zijn - deze niet betrouwbaar geobjectiveerd kunnen worden. Onderzochte is voorafgaande aan het onderzoek geïnformeerd over haar rechten, het (doel van) onderzoek, de onderzoeksmethoden en het belang van een goede prestatie motivatie (inzet). Er zijn twee tests afgenomen ter bepaling van de symptoomvaliditeit. Daarnaast wordt bestudeerd: het testprofiel, discrepanties tussen testresultaten en discrepanties tussen verwachte scores op basis van gehanteerde normgroepen. [ ... ]. 

Observaties tijdens het testonderzoek: 
[ ... ] 
Symptoom-validiteit:
De uitslag op twee symptoom-validiteitstests is positief. Derhalve is er geen goede prestatie-motivatie. Dit betekent dat mag worden aangenomen dat betrokkene bij geheugen- en concentratietests onder haar feitelijke vermogen presteert (onderpresteert) en de onderzoeksresultaten niet betrouwbaar kunnen worden geïnterpreteerd. Opmerking: bij betrokkene is op 19 en 25 november dezelfde SVT afgenomen met verschillende opgaven. Bij de oefenitems valt op dat zij de tijd neemt en een woord uit het hoofd noemt, terwijl zij slechts hoeft te kiezen uit aangeboden woorden. Tijdens de test zegt zij soms dat zij gokt en ook dat zij twijfelt tussen een juist en onjuist woord. Aangezien zij moeite heeft met rekenen mocht zij deze taak bedoelt als tussentaak, overslaan en noemde zij alleen de som hardop. Ook werd zij gestimuleerd om de woordenlijst twee keer hardop te lezen, maar dit had geen verbeterend effect op haar prestatie. De tweede onderzoeksdag kan zij uit haar hoofd 3 juiste items noemen uit de vooraf aangeboden lijst, maar indien de woordenlijst wordt aangeboden, zegt zij zich slechts 1 woord te herinneren uit de geheugenitems-en zich de overige (2) woorden niet te herinneren. Ook de uitslag op de uitgebreide SVT wordt ver beneden het afkappuntgemaakt. [ ... ] 

Samenvatting en conclusie: 
Op verzoek van de Rechtbank Gelderland, [ ... ] werd neuropsychologisch deskundigen onderzoek uitgevoerd bij mw. X, geboren op xx-xx-xxxx. Betrokkene is aangemeld ten einde inzicht te krijgen in de ongevalsgevolgen, c.q. het huidige cognitief (dis)functioneren. [ ... ] Het deskundigenonderzoek vond plaats op 19 en 25 november jl. Het onderzoek is gericht op het in kaart brengen van het klachtenpatroon (anamnese), het cognitieve functioneren en psycho- somatisch functioneren, alsook psychopathologie. Uit de scores op de symptoom-validiteitstests die op beide testdagen werden afgenomen komen sterke aanwijzingen voor onder presteren naar voren. Het onderpresteren wordt bevestigd in het testprofiel dat sterk afwijkende (soms extreem afwijkende) prestaties toont. Hierdoor kunnen de onderzoeksresultaten ten aanzien van het cognitief functioneren niet betrouwbaar worden geïnterpreteerd. Bij psychologisch onderzoek blijkt dat zij klachten aggraveert (aandikken van klachten), hetgeen passend is bij catastroferen van pijnsensaties (zij heeft catastrofale pijngedachten). Behalve een inadequate pijncoping met passieve copingstijlen, is de algemene coping ook inadequaat (passief) en vooral gericht op het zoeken van ontspanning en zichzelf positief toespreken (i.t.t. catastroferen bij pijn). Deze onderzoeksresultaten duiden op de noodzaak van een psychiatrische expertise om helderheid te krijgen over de interne/externe motieven van het onderpresteren, c.q. het persoonlijkheidsprofiel van betrokkene. 

B heeft de navolgende vragen die haar waren voorgelegd als volgt beantwoord: 

1. DE SITUATIE MET ONGEVAL 
[ ... ] 
Consistentie: 
D). Is naar uw oordeel sprake van onderlinge samenhang als het gaat om informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en door bevindingen bij het door u verrichte neuropsychologisch onderzoek? Wilt u ook een effort- en validiteittest uitvoeren en de uitkomsten en doe interpretatie daarvan ineen rapport vermelden? 
Antwoord: Zoverre ik heb kunnen beoordelen zijn er geen inconsistenties in het klachtenpatroon van betrokkene. Echter ik heb, behalve lichamelijke/psychosomatische klachten, geen cognitieve klachten kunnen detecteren na haar ongeval in het huisartsenjournaal, bovendien zijn de cognitieve klachten niet objectiveerbaar door onderpresteren. [ ... ] 

Diagnose: 
F). Wat is de diagnose op uw vakgebied? Heeft de onderzochte cognitieve stoornissen en zo ja welke en in welke mate? 

Antwoord: ik stel mijn diagnose uit, aangezien die mijns inziens op psychiatrisch vakgebied dient te worden gesteld. Door onderpresteren kan ik het neuropsychologisch functioneren niet 
betrouwbaar beoordelen. [ ... ] 

2. DE SlTUATlE ZONDER ONGEVAL 
Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval: 
A). Bestonden voor het ongeval bij onderzochte reeds cognitieve stoornissen die zij nog steeds heeft? 
Antwoord: Zoverre mij bekend is geworden had zij geen cognitieve stoornissen (zie verder hiervoor). [ ... ] 

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval 
C). Zijn er cognitieve stoornissen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval onderzochte niet was overkomen? 
Antwoord: ik laat het antwoord over aan de deskundig psychiater. [ ... ] 

3. OVERIG 
a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van de zaak? 
Antwoord: nee, behalve dat ik op basis van mijn onderzoeksresultaten een psychiatrische expertise zinvol vind. Neuroloog Dr. Bernsen heeft dit advies ook in zijn expertiserapport beschreven. 

b. Zijn er stoornissen aantoonbaar in het mentale functioneren, het taalgebruik, de regulatie van emoties en gedrag of in de helderheid van het bewustzijn? 
Antwoord: er kunnen geen betrouwbare uitspraken worden gedaan over het mentale/cognitieve functioneren door onderpresteren (positieve score op symptoomvaliditeit); er zijn geen stoornissen inde helderheid van het bewustzijn; er zijn geen stoornissen in het taalgebruik; er zijn geen stoornissen in de regulatie van gedrag; er is sprake van psychopathologie dat nader dient te worden onderzocht door een psychiater 

c. Is het aannemelijk dat de aangetoonde stoornissen veroorzaakt worden door een hersenbeschadiging als gevolg van een bepaalde (nader te omschrijven) gebeurtenis ofaandoening? 
Antwoord: Nee, ik acht het niet aannemelijk dat sprake is van hersenletsel; door onderpresteren kan het cognitief functioneren niet betrouwbaar worden geïnterpreteerd, maar vooralsnog ga ik er vanuit dat er geen cognitieve functiestoornissen ontstaan zijn door het ongeval (rekening houdend met de aard van het ongeval en de neurologische bevindingen). 
Zie aangepaste antwoord op pagina 16 n.a. v. commentaar partijen. [ ... ] 
In het kader van het recht op inzage-icorrectie-, en blokkeringsrecht is het conceptrapport naar betrokkene opgestuurd op 19 januari j.l. Op 09 februari herinnerde ik betrokkene om te reageren op het conceptrapport waarop zij meldde dat haar advocaat wenste dat ik het psychiatrisch rapport zou lezen [ ... ]. Op 28 april kreeg ik de stukken alsnog per e-mail aangeboden. 

Reactie Partijen: 
Brief d.d. 26 februari 2015 van Mr. N. Haase van Rutgers Posch Visée Endedijk N.V.: 
1) Mr. Haase stelt dat mijn antwoord wellicht vollediger was geweest -mw. X had zoverre mij bekend geen cognitieve stoornissen - als ik eerst het psychiatrische rapport had afgewacht. Zij verzoekt om mijn antwoord op deze vraag te heroverwegen. 
2) Daarnaast vraagt mr. Haase zich af of ik het verweerschrift van Allianz heb gekregen, voor een volledig beeld van de discussie tussen partijen. 

Repliek: 

1) Naar mijn mening ben ik voor mijn antwoord of betrokkene voor het ongeval cognitieve stoornissen had niet afhankelijk van het rapport van psychiater. Hij heeft haar immers ook niet voor het ongeval gekend. Het gaat om een retrospectief oordeel. Ik kan geen aanwijzingen vinden in het dossier voor cognitieve klachten/problemen, derhalve ga.ik er vanuit dat mw. X geen cognitieve stoornissen had voor het ongeval. 
2) Ik heb het volledige dossier ontvangen en heb ook het verweerschrift van Allianz gelezen, maar de interpretatie van mijn onderzoeksresultaten en uiteindelijke conclusie worden hierdoor niet beïnvloed. 

Brief d.d. 2 maart 2015 van Mr. J.G. Keizer, LSA-advocaat van SAP advocaten: 
1). Mr. Keizer schrijft dat ik in mijn conceptrapport opmerk dat mevrouw X klachten aggraveert (het aandikken van klachten). Hij wil dat deze bevinding getoetst wordt aan de bevindingen van de heer Peterse. 
2). Daarnaast verzoekt zijn medisch adviseur mij om deze bevinding nader toe te lichten, en daarbij toe te lichten of er volgens mij sprake is van bewust dan wel onbewust onderpresteren. 
3). Zijn medisch adviseur heeft voorts opgemerkt dat onderpresteren niet automatisch inhoudt dat er dus geen cognitieve stoornissen aanwezig zijn, maar alleen dat daarover (en de mate waarin die stoornissen al dan niet aanwezig zijn) geen concrete en betrouwbare uitspraken kunnen worden gedaan. Omdat volgens zijn medisch adviseur onderpresteren dus niet automatisch inhoudt dat er geen sprake is (of kan zijn) van cognitieve functiestoornissen, ziet hij graag dat ik mijn antwoord op vraag 3c nader toelicht, omdat uit dat antwoord (althans de wijze waarop het antwoord is geformuleerd) toch min ofmeer voortvloeit dat er überhaupt geen cognitieve functiestoornissen zouden zijn (terwijl daarover dus geen betrouwbare uitspraken kunnen worden gedaan). Gevraagd wordt of ik wellicht bedoel dat de geconstateerde afwijkingen niet kunnen worden verklaard vanuit een hersenbeschadiging of andere neurologisch (objectiveerbare) aandoening? 
4). In het bevestigende geval wordt verzocht of ik mijn antwoord op vraag 3c dienovereenkomstig te formuleer. 

Repliek: 
1). Uit het psychiatrisch rapport van dhr. J.W. Peterse waarin hij het psychiatrisch onderzoek beschrijft dat 12-11-2014 werd afgenomen, lees ik het volgende, waarbij ik de tekst die belangrijk is voor mijn beoordeling van mijn onderzoeksresultaten vetgedrukt heb gemaakt: Het betreft een 39-jarige vrouw, van Iraanse afkomst, met een uiterlijk conform kalenderleeftijd. De beheersing van de Nederlandse taal is goed. Het oogcontact is goed, ze stelt zich vriendelijk en coöperatief op en er is sprake van contactgroei. De mimiek en motoriek zijn levendig. Er lijkt geen sprake te zijn van aggravatie of mallingering; onderzochte imponeert als oprecht en onderzoeker acht de door haar aangedragen informatie betrouwbaar. Het bewustzijn is helder, de oriëntatie in trias ongestoord. De geheugenfuncties zijn ten tijde van het onderzoek intact evenals de overige cognitieve functies. Zij weet zich alles goed te herinneren en komt soms terug op zaken die eerder besproken zijn. Het lukt onderzochte goed om haar aandacht erbij te houden tijdens huidig onderzoek. De intelligentie imponeert als bovengemiddeld. Het denken verloopt normofreen, coherent waarbij er inhoudelijk geen sprake is van evidente wanen of hallucinaties. De stemming is normofoor. Het effect moduleert adequaat. Er zijn geen suïcide ideaties. Er wordt geen angst of paniek waargenomen tijdens het onderzoek. Anamnestisch is sprake van prikkelbaarheid, slaapproblemen en piekeren. De impulscontrole is ongestoord tijdens het onderzoek. De gewetensfuncties zijn intact. Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid voor een persoonlijkheidsstoornis in engere zin, omdat geen sprake is van een patroon van chronisch disfunctioneren op meerdere levensgebieden sinds de vroege volwassenheid. Onderzochte geeft aan zelf niet van mening te zijn te lijden aan een psychiatrische stoornis. Betrokkene kan bij psychiatrisch onderzoek niet aggraveren / malingeren, terwijl zij dat bij een neuropsychologisch onderzoek wel kan doen. Het zijn immers twee totaal verschillende onderzoeken, bovendien is dit bij uitsluitend een klinische blik niet objectief vast te stellen, vandaar dat symptoom validiteittests in een neuropsychologisch onderzoek een must zijn. De psychiater schrijft dat geen psychiatrische diagnose gesteld kan worden. Onderzochte leidt een actief leven bestaand uit sociale contacten, het gezin, en werkt twee halve dagen per week. Onderzochte meldt lichte stemmingsklachten van met name prikkelbaarheid, die niet voldoen aan de criteria van een depressieve stoornis. De aandachtsproblemen kunnen niet geobjectiveerd worden bij psychiatrisch onderzoek en volgen evenmin uit het dagverhaal. Er zijn klachten van moeheid als gevolg van de slaapproblemen, die door onderzochte geduid worden als passend bij de lichamelijke klachten en het piekeren. 
2). Op basis van bovengenoemde bevindingen van de psychiater en mijn bevindingen van (zeer) hoge scores op vragenlijsten die stemming en klachten meten en het onderpresteren is er duidelijk sprake van aggravatie, ofwel het aandikken van klachten. Ik durf mij niet uit te laten of hier sprake is van bewust onderpresteren, er is in ieder geval geen psychopathologie als verklaring van het onderpresteren. 
3,4). Op pagina 5 van mijn rapport staat over symptoom-validiteit onder meer: 
Een positieve uitslag betekent dat de cognitieve functies niet betrouwbaar zijn te meten. Hierdoor is het voor de neuropsycholoog in kwestie niet mogelijk om de resultaten betrouwbaar (reële capaciteit) te interpreteren. Er bestaan op basis van een positieve uitslag namelijk aanwijzingen voor een verminderde prestatie-motivatie, waardoor testprestaties onder het werkelijke niveau (capaciteiten) van betrokkene liggen. 
Onderpresteren wil niet zeggen dat er geen sprake is van een (cognitieve) beperking. Het betekent wel dat - als er beperkingen zijn - deze niet betrouwbaar geobjectiveerd kunnen worden. 
Mijn antwoord op 3c wil ik graag verduidelijken: 

Nee, ik acht het niet aannemelijk dat sprake is van hersenletsel. Enerzijds kan ik vanwege het onderpresteren door onderzochte de onderzoeksresultaten niet betrouwbaar interpreteren, anderzijds acht ik het aannemelijk dat- op basis van de aard van het ongeval, de neurologische bevindingen en mede basis van het psychiatrisch rapport - de aanwezige klachten niet kunnen worden verklaard vanuit een neurologische (objectiveerbare) aandoening. 

2.11. 
Op gezamenlijk verzoek van partijen is X op 12 november 2014 onderzocht door psychiater dr.J.W. Peterse (verder: Peterse) in het kader van een psychiatrische expertise. Daarvan is door Peterse op 15 april 2015 een definitieve rapportage uitgebracht. Daarin schrijft Peterse, voor zover hier relevant: 

6. Psychiatrisch onderzoek [ ... ] 
Er lijkt geen sprake te zijn van aggravatie of malingering; onderzochte imponeert als oprecht en onderzoeker acht de door haar aangedragen informatie betrouwbaar. Het bewustzijn is helder, de oriëntatie in trias ongestoord. De geheugenfuncties zijn ten tijde van het onderzoek intact evenals de overige cognitieve functies. Zij weet zich alles goed te herinneren en komt soms terug op zaken die eerder besproken zijn. Het lukt onderzochte goed om haar aandacht erbij te houden tijdens huidig onderzoek. De intelligentie imponeert als bovengemiddeld. Het denken verloopt normofreen, coherent waarbij er inhoudelijk geen sprake is van evidente wanen of hallucinaties. De stemming is normofoor. Het affect moduleert adequaat. Er zijn geen suïcide ideaties. Er wordt geen angst of paniek waargenomen tijdens het onderzoek. Anamnestisch is sprake van prikkelbaarheid, slaapproblemen en piekeren. De impulscontrole is ongestoord tijdens het onderzoek. De gewetensfuncties zijn intact. Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid voor een persoonlijkheidsstoornis in engere zin, omdat geen sprake is van een patroon van chronisch disfunctioneren op meerdere levensgebieden sinds de vroege volwassenheid. Onderzochte geeft aan zelf niet van mening te zijn te lijden aan een psychiatrische stoornis. [ ... ] 

8. Samenvatting en beschouwing 
[ ... ] Bij huidig onderzoek wordt geen psychiatrische diagnose gesteld. Onderzochte leidt een actief leven bestaand uit sociale contacten, het gezin, en werkt twee halve dagen per week. Onderzochte meldt lichte stemmingsklachten van met name prikkelbaarheid, die niet voldoen aan de criteria van een depressieve stoornis. De aandachtsproblemen kunnen niet geobjectiveerd worden bij psychiatrisch onderzoek en volgen evenmin uit bet dagverhaal. Er zijn klachten van moeheid als gevolg van de slaapproblemen, die door onderzochte geduid worden als passend bij de lichamelijke klachten en het piekeren. Concluderend stelt onderzoeker dat sprake is van een 39-jarige vrouw die, ondanks emigratie op jonge leeftijd en moeilijkheden op onder andere relationeel vlak, altijd positief en optimistisch in het leven is blijven staan. Noch in de periode voor het ongeval, noch in de periode na het ongeval is op enig moment sprake geweest van een psychiatrische stoornis. Er is thans sprake van prikkelbaarheid, moeheid, en zorgen om financiën en de toekomst, maar dit alles kwalificeert niet voor een psychiatrisch ziektebeeld. Deze klachten worden met andere woorden niet geïnterpreteerd als horende bijeen psychiatrische ziekte. Aangezien er geen psychiatrische diagnose wordt gesteld, volgt hieruit dat evenmin beperkingen worden vastgesteld voortkomend uit eenpsychiatrische stoornis. Van functieverlies op basis van een psychiatrische stoornis is derhalve ook geen sprake. 

9. DSMIV-TR classificatie 
As I :V71.09 geen diagnose. 
As II : V71.09 geen diagnose 
As IIIl : nekpijn. hoofdpijn 
As IV: problemen binnen de primaire steungroep financiële problemen 
As V : 70 

10. Beantwoording van de vragen 
1. DE SITUATIE MET HET ONGEVAL [ ... ] 

Medische gegevens [...] 
Onderzochte heeft een blanco psychiatrische voorgeschiedenis. Als onderdeel van het multidlsciplinare behandeltraject (bij DBC) dat zij volgde van medio november 2012 tot medio juni 2013, vonden ongeveer tien gesprekken met ene psycholoog plaats. Binnen deze gesprekken was de aandacht gericht op de relatieproblemen van onderzochte en kwam zij tot de beslissing om te scheiden van haar man. Er werd geen psychiatrische diagnose gesteld bij DBC, noch werd er een psychiatrische behandeling gestart. 

Medisch onderzoek [ ... ] 
Bij psychiatrisch onderzoek worden geen afwijkingen waargenomen.

Consistentie [ ... ] 
Ja, er is sprake van een onderliggende samenhang tussen de informatie van onderzochte zelf, de feiten uit het medisch dossier en het door onderzoeker verrichte onderzoek. 

Diagnose 
Er wordt geen psychiatrische diagnose gesteld, waaruit volgt dat bij de DSM IV classificatie evenmin een stoornis kan worden geclassificeerd.

Blijvende invaliditeit [ ... ] 
Uit het feit dat er geen psychiatrische diagnose wordt gesteld, volgt dat er op mijn vakgebied geen functieverlies of blijvende invaliditeit als gevolg van het ongeval vastgesteld wordt. 

Beperkingen [ ... ] 
Aangezien er geen psychiatrische diagnose wordt gesteld volgt hieruit dat evenmin beperkingen worden vastgesteld voortkomend uit een psychiatrische stoornis. [...] 

2. DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL [ ... ] 

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval 
a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog heeft? 

Antwoord a: Neen. 

11. Reacties van partijen op concept versies rapportages 
[ ... ] Van de kant van Westerweel Intermediair, collega D, medisch adviseur, werd mij op 3 april 2015 door mr. J.G. Keizer, advocaat SAP, een tweetal aanvullende vragen gesteld. 

Vraag 1: In Uw conceptrapport heeft u onder andere opgemerkt: 'ten aanzien van de objectiveerbaarheid van de klachten kan worden gesteld dat het verhaal van onderzochte plausibel overkomt, geen duidelijke inconsistenties bevat, ook niet ten opzichte van de meegezonden informatie, en congruent is met het psychiatrisch onderzoek. Op verzoek van de Rechtbank Gelderland heeft neuropsycholoog mevrouw dr. Bruins ook een rapport uitgebracht, dat u als bijlage aantreft. Mevrouw Bruins merkt in haar rapport onder andere op: uit de scores op de symptoom-validiteitstest die op beide testdagen werden afgenomen komen sterke aanwijzingen voor onderpresteren naar voren. Het onderpresteren wordt bevestigd in het testprofiel dat sterk afwijkende (soms extreem afwijkende) prestaties toont. Hierdoor kunnen de onderzoeksresultaten ten aanzien van het cognitief functioneren niet betrouwbaar worden geïnterpreteerd. Bij psychologisch onderzoek blijkt dat zij klachten aggraveert (aandikken van klachten), hetgeen passend is bij catastroferen van pijnsensaties (zij heeft catastrofale pijngedachten). Behalve een inadequate pijncoping met passieve copingstijlen, is de algemene coping ook inadequaat (passief) en vooral gericht op het zoeken van ontspanning en zichzelf positief toespreken (i.t.t. catastroferen bij pijn). Deze onderzoeksresultaten duiden op de noodzaak van een psychiatrische expertise om helderheid te krijgen over de interne/externe motieven van het onderpresteren, c.q. het persoonlijkheldsprofiel van betrokkene.'Ik verneem graag van u of u de door de neuropsycholoog gewenste helderheid kunt verschaffen temeer omdat uw eigen hierboven beschreven bevindingen en de bevindingen van de neuropsycholoog van elkaar lijken af te wijken. 

Antwoord op vraag 1: 
Allereerst merk ik op dat ik niet heb kunnen beschikken over de neuropsychologische rapportage uitgevoerd op 17 november 2014. Ik heb deze gegevens dan ook niet kunnen bespreken met onderzochte ten tijde van het onderzoek, noch kunnen betrekken bij mijn overwegingen in mijn concept rapportage. De neuropsychologische rapportage van mw. Bruins beschrijft geen relevante stoornissen op cognitief gebied, evenmin zou er sprake zijn van andere stoomissen. Dit is geheel in lijn met mijn eigen bevindingen zoals beschreven in mijn concept rapportages. Ik vond geen aanwijzingen voor psychiatrische stoornissen en in het bijzonder niet voor cognitieve of persoonlijkheidsstoornissen. Evenmin werden bij mijn onderzoek aanwijzingen gevonden voor malingering en aggravatie. 
Het feit dat er bij het neuropsychologisch onderzoek aanwijzingen zijn voor onderpresteren en aggraveren is in het licht van mijn bevindingen dan ook niet van klinische betekenis: alleen wanneer sprake lijkt van een relevante psychiatrische stoornis moeten deze fenomenen meegenomen worden in een eindoordeel. Nu er geen sprake is van een psychiatrische stoornis zijn de bij het neuropsychologisch onderzoek gevonden aanwijzingen voor onderpresteren en aggraveren dan ook niet van waarde. 
De vraag van de neuropsychologe om zicht te krijgen over de 'interne/externe motieven van het onderpresteren c.q. het persoonlijkheidsprofiel van betrokkene' moet dan ook als volgt worden beantwoord: er zijn geen aanwijzingen dat de bij NPO gevonden fenomenen van aggraveren en onderpresteren voortkomen uit een relevante psychiatrische stoornis, in het bijzonder uit persoonlijkheidsproblematiek. 

Vraag 2: Ik verzoek u vriendelijke om ook in het algemeen uw reactie te geven op de onderzoeksbevindingen van de neuropsycholoog, en of de bevindingen voor u aanleiding vormen om uw eerdere rapportage en conclusies aan te passen. 

Antwoord op vraag 2: 
Uit voorgaande (mijn antwoord op vraag 1) volgt dat ik van mening ben dat het neuropsychologisch onderzoek in lijn is met mijn eigen bevindingen (geen relevante psychiatrische stoomissen geobjectiveerd), en daarmee geen aanleiding vormt tot aanpassing van mijn rapportage. [ ... ] 

2.12. 
Allianz heeft in totaal een bedrag van € 7.178,28 bevoorschot aan X. 

3. Het geschil

3.1. 
De door X ingestelde vordering luidt als volgt: 

X zich wendt tot UEA Rechtbank om, voor zover mogelijk steeds uitvoerbaar bij voorraad 
I. Allianz te veroordelen om aan X ter zake de door haar over de jaren 2012 tot en met 2016 geleden schade wegens verlies aan verdienvermogen, te betalen het bedrag van € 38.927,36, te vermeerderen met de wettelijke rente over de afzonderlijke jaarschades vanaf 31 december van het betreffende (schade)jaar tot aan de dag der algehele voldoening, een en ander zoals toegelicht onder paragraaf 184 van onderhavige dagvaarding, dan wel; . 
II. (Subsidiair en uitsluitend indien het onder I verzochte wordt afgewezen) ter zake de over de jaren 2012 tot en met 2016 geleden schade wegens verlies aan verdien vermogen een zodanige voorziening te treffen als UEA Rechtbank in goede justitie juist voorkomt, alsmede; 
III. Allianz te veroordelen om aan X ter zake de periode maart 2012 tot en met 2016 geleden schade wegens genezing en herstelkosten, reiskosten en de overige materiële kosten zoals genoemd in hoofdstuk 5.6 van onderhavige dagvaarding, te betalen het bedrag van € 28.189,59, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel; 
IV. (Uiterst subsidiair en uitsluitend indien het onder III verzochte wordt afgewezen) ter zake de over de periode maart 2012 tot en met 2016 geleden schade wegens kosten genezing en herstel, reiskosten en de overige materiële kosten een zodanige voorziening te treffen als UEA Rechtbank in goede justitie juist voorkomt, alsmede; 
V. Allianz te veroordelen om aan X ter zake de tot en met 2016 geleden schade wegens verlies aan zelfwerkzaamheiden huishoudelijke hulp te betalen het bedrag van € 17.944,50 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede; 
VI. Voor recht te verklaren dat Allianz gehouden is de door X vanaf 2017 geleden en te lijden schade wegens verlies aan verdienvermogen, huishoudelijke hulp en zelfwerkzaamheid, aan X te vergoeden, welke schade aan de hand van deskundigenrapporten zal moeten worden vastgesteld zoals door X onder de paragrafen 155, 178, 179 van onderhavige dagvaarding is toegelicht, alsmede; 
VII. AlIianz te veroordelen om aan X ter zake de door haar over de jaren 2012 tot en met 2016 geleden immateriële schade, tebetalen het bedrag van € 25.000,00, dan wel een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 5 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede; 
VIII. Allianz te veroordelen om aan X ter zake de gemaakte kosten buiten rechte te betalen het bedrag van € 14.524,59, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede; 
IX. Alles onder aftrek van de reeds door AIlianz aan X betaalde voorschotten, alsmede; 
X. Allianz te veroordelen om aan X alle vanaf 1 januari 2017 geleden en te lijden schade te vergoeden, welke schade nader moet worden opgemaakt bijstaat, alsmede; 
XI. Allianz te veroordelen tot betaling van de kosten in dit geding, te vermeerderen met de nakosten een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke renten over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening. 

3.2. 
X stelt dat zij ten gevolge van het ongeval letsel heeft opgelopen, onder meer bestaande uit nekklachten, hoofdpijn, misselijkheid, duizeligheid, vermoeidheidsklachten en concentratieproblemen. X stelt dat door dit letsel sprake is van (blijvende) beperkingen, waardoor onder meer haar vermogen om arbeid te verrichten en daarmee haar verdiencapaciteit is aangetast. Zij stelt dat Allianz, die erkend heeft aansprakelijk te zijn voor de gevolgen van het ongeval, haar een vergoeding dient te betalen voor baar schade wegens verlies aan verdienvermogen en zelfwerkzaamheid en voor de kosten voor huishoudelijke hulp en voor genezing en herstel, reiskosten en overige materiele schade, smartegeld en buitengerechtelijke kosten. 

3.3. 
Allianz voert verweer. Allianz betwist dat de door X gestelde klachten daadwerkelijk aanwezig zijn. Zij voert aan dat geen van de drie ingeschakelde deskundigen afwijkingen, een diagnose en/of beperkingen hebben kunnen vaststellen die ongevalgerelateerd zijn. Ook (overigens) is, aldus Allianz, niet objectief vastgesteld dat de klachten aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. Allianz voelt daarbij aan dat B in haar rapport schrijft dat bij X duidelijk sprake is van aggravatie. Allianz voelt aan dat de door X ingebrachte medische stukken uit de behandelende sector geen waarde hebben, zover ze afwijken vande bevindingen van de ingeschakelde deskundigen. Bovendien zijn deze, aldus Allianz, voor een groot deel gebaseerd op de uitlatingen van X, terwijl op haar uitlatingen niet gevaren kan worden. Voor zover er klachten zijn betwist Allianz het causaal verband met het ongeval. Zij voelt in dat verband aan dat volgens haar sprake is van een "low-impact-aanrijding", waarvan onaannemelijk is dat deze de gestelde klachten kan hebben veroorzaakt, dat X ook vóór het ongeval al duizeligheidsklachten en een bewegingsbeperking van de nek had en dat er ook andere oorzaken aan te wijzen zijn voor de gestelde klachten. Allianz betwist voorts dat de getelde klachten tot beperkingen leiden en dat die beperkingen leiden tot (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid, huishoudelijke hulpbehoefte of verlies aan zelfwerkzaamheid. Ten slotte betwist Allianz de hoogte van de door X gestelde schade. Allianz voert aan dat zij reeds € 7.178,28 aan X heeft vergoed en daarnaast € 8.071,46 voor buitengerechtelijke kosten en medische verschotten heeft voldaan en acht zich daarmee finaal gekweten. 

3.4. 
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 

4. De beoordeling 

4.1. 
In deze zaak met internationale aspecten heeft deze rechtbank rechtsmacht, reeds op grond van artikel 26 lid 1van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Herschikte EEX-verordening). 

4.2. 
X heeft aan haar vordering, zakelijk weergegeven, ten grondslag gelegd dat zij als gevolg van het ongeval lijdt aan klachten die kenmerkend zijn voor het postwhiplashsyndroom, daaronder begrepen nek- en hoofdpijnklachten, misselijkheid en duizeligheid, concentratie- en aandachtstoornissenen vermoeidheidskIachten en dat zij als gevolg daarvan beperkingen heeft, die leiden tot de door haar gestelde schade. Bij de beoordeling van deze stelling stelt de rechtbank het volgende voorop (vgl: Hoge Raad 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2054; NJ 2001, 433; Zwolsche Algemene/De Greef; Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ECLI:NL:GHARL:2016:3988 25-05-2016): 
a. Het is aan X om te stellen en, bij gemotiveerde betwisting, te bewijzen dat zij aan gezondheidskiachten lijdt. Het enkele feit dat het klachten betreft die naar hun aard subjectief zijn, betekent niet dat het bewijs ervan niet geleverd kan worden. Wanneer kan worden aangenomen dat de klachten aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn en het klachtenpatroon plausibel is, hetgeen doorgaans het geval zal zijn bij een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten, kan van het bestaan van dergelijke subjectieve klachten worden uitgegaan; 
b. Indien X heeft aangetoond dat haar subjectieve gezondheidsklachten in de hiervoor bedoelde juridische betekenis bestaan, mogen aan het bewijs van bet oorzakelijk verband tussen het ongeval en deze klachten geen al te hoge eisen worden gesteld, in die zin dat het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de klachten niet in de weg staat aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is. Indien komt vast te staan dat de X voorafgaand aan het ongeval deze gezondheidsklachten niet had, de gezondheidsklachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de gezondheidsklachten ontbreekt, zal het bewijs van het oorzakelijk verband daarmee veelal geleverd zijn; 
c. Voorts dient te worden beoordeeld of deze gezondheidsklachten ook tot beperkingen leiden. Het enkele feit dat sprake is van subjectieve klachten, waarvoor een neurologisch substraat ontbreekt, staat dan ook nog niet in de weg aan de conclusie dat toch sprake is van beperkingen in de hiervoor weergegeven betekenis. Allianz betwist ten aanzien van ieder van deze stappen gemotiveerd de stelling van X dat aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. 

4.3. 
In de onderhavige zaak zijn door de rechtbank twee deskundigen benoemd, neuroloog Bernsen en neuropsycholoog Bruins en is door partijen in gezamenlijk overleg een derde deskundige ingeschakeld, psychiater Peterse. De rechtbank komt de oordelen van deze deskundigen, de beantwoording van de aanvullende vragen en de door de deskundigen gebezigde motiveringen, die inzichtelijk zijn en die mede gebaseerd op ieders bijzondere kennis en ervaring, overtuigend voor. 

4.4. 
Geen van de deskundigen kan op zijn of haar vakgebied een verklarende diagnose geven voor het ontstaan en aanhouden van de klachten van X. 

4.5.
Bernsen schrijft dat, in overeenstemming met de onderzoeksbevindingen in de behandelende sector, bij zijn neurologische onderzoek geen neurologische afwijkingen worden vastgesteld, dat er geen aanwijzingen worden gevonden voor een cervicale myopathie, cervicaal radiculair syndroom of plexus brachialisletsel, dan wel perifeer zenuwletsel, waarmee de nekklachten van betrokkene (en het persisteren daarvan) kunnen worden verklaard en dat afwezigheid van neurologisch letsel wordt bevestigd middels het MRI-onderzoek van de cervicale wervelkolom op 9 april 2013. Hij overweegt dat X bij het ongeval geen contactletsel van de schedel heeft gehad, niet buiten kennis is geweest en geen uitwendige schedelverwondingen heeft opgelopen en dat er derhalve ook geen noemenswaardig traumatisch hoofd/hersenletsel is geweest. Een neurologische verklaring voor de door betrokkene ervaren cognitieve klachten en verschijnselen van mentale vermoeidheid alsmede de overige aangegeven klachten kan daarom niet worden geboden. 

4.6. 
Bruins schrijft dat zij na het ongeval in het huisartsenjournaal, behalve lichamelijke/ psychosomatische klachten, geen cognitieve klachten heeft kunnen detecteren, waarbij zij de cognitieve klachten bovendien niet objectiveerbaar acht door onderpresteren. Er zijn, aldus Bruins, geen stoornissen in de helderheid van het bewustzijn, in het taalgebruik ofin de regulatie van gedrag. Bruins heeft haar diagnose uitgesteld tot na het onderzoek van de psychiater. Nadat zij het rapport van Peterse heeft bestudeerd, schrijft zij dat zij het niet aannemelijk acht dat sprake is van hersenletsel, enerzijds omdat zij vanwege het onderpresteren door X de onderzoeksresultaten niet betrouwbaar kan interpreteren, anderzijds omdat zij het aannemelijk acht dat - op basis van de aard van het ongeval, de neurologische bevindingen en mede op basis van het psychiatrisch rapport - de aanwezige klachten niet kunnen worden verklaard vanuit een neurologische (objectiveerbare) aandoening. 

4.7. 
Peterse schrijft dat geen psychiatrische diagnose gesteld wordt. Het bewustzijn is helder, de oriëntatie in trias ongestoord. Tijdens het psychiatrisch onderzoek worden blijkens het rapport geen gebreken gevonden in de geheugen- en andere cognitieve functies en kunnen de aandachtsproblemen niet geobjectiveerd worden; deze volgen evenmin uit het dagverhaal. Concluderend schrijft Peterse dat sprake is van een 39-jarige vrouw die, ondanks emigratie op jonge leeftijd en moeilijkheden op onder andere relationeel vlak, altijd positief en optimistisch in het leven is blijven staan. Noch in de periode voor het ongeval, noch in de periode na het ongeval is op enig moment sprake geweest van een psychiatrische stoornis. 

4.8. 
Al dan niet zwaarwegende bezwaren tegen de conclusies, dat voor de klachten geen verklarende diagnose gesteld kan worden, zijn niet gegeven, althans niet onderbouwd. 

4.9. 
De omstandigheid dat ten aanzien van de, naar hun aard subjectieve, 'whiplash-achtige' klachten geen onderliggende medische grond kan worden aangewezen, brengt, zoals overwogen, echter nog niet met zich dat het bestaan van in juridische zin relevante gezondheidsklachten niet kan worden aangenomen. Daarvoor dient de vraag beantwoord te worden of sprake is van kort gezegd reële klachten en een plausibel klachtenpatroon. Bruins is in dat verband door de rechtbank in de beschikking van 2 september 2014 verzocht in haar rapport te berichten of zij kan vaststellen of de (subjectieve) klachten waarover X klaagt aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. Bruins heeft deze vraag niet letterlijk beantwoord, maar heeft wel, teneinde onderpresteren te detecteren, tests afgenomen ter bepaling van de symptoomvaliditeit en daarnaast het testprofiel en discrepanties tussen testresultaten en tussen verwachte scores op basis van gehanteerde normgroeperen bestudeerd. 

4.10. 
Bruins rapporteert dat uit de scores op de symptoom-validiteitstests die op beide testdagen werden afgenomen sterke aanwijzingen voor onderpresteren naar voren komen en dat het onderpresteren wordt bevestigd in het testprofiel, dat sterk afwijkende, soms extreem afwijkende prestaties toont. Bij psychologisch onderzoek blijkt dat zij klachten aandikt (aggraveert). Als zijdens X in een reactie op het concept rapport wordt opgemerkt dat Peterse geen aggravatie heeft waargenomen geeft Bruins als reactie dat bij psychiatrisch onderzoek, anders dan bij neuropsychologisch onderzoek ook niet kan worden geaggraveerd of gemalingeerd, dat aggraveren bij uitsluitend een klinische blik niet objectief is vast te stellen en dat vandaar symptoomvaliditeittests in een neuropsychologisch onderzoek een 'must' zijn. Zij schrijft voorts dat uit de bevindingen van de psychiater en haar bevindingen van (zeer) hoge scores op vragenlijsten die stemming en klachten meten en het onderpresteren volgt dat duidelijk sprake is van aggravatie. 

4.11. 
De rechtbank overweegt dat X geen zwaarwegende bezwaren en steekhoudende argumenten heeft aangevoerd aangaande de wijze van de totstandkoming of de inhoud van het deskundigenbericht van B en met name niet aangaande de uitvoering en uitkomsten van de symptoom-validiteitstest en de daaruit door Bruins getrokken conclusies. Het enkele aangevoerde argument dat door de beide andere deskundigen en door de behandelaars van X geen melding wordt gemaakt van aggravatie is in dat verband onvoldoende steekhoudend, mede gelet op voornoemde, overigens niet weersproken, reactie van Bruins op het rapport van Peterse, en doet niet af aan de bevindingen en conclusies van Bruins tijdens het door haar uitgevoerde onderzoek. De rechtbank gaat er daarom op basis van het, zoals overwogen, overtuigende rapport van Bruins vanuit dat ten tijde van de onderzoek door Bruins 'duidelijk' sprake was van het aandikken van de klachten door X. Voorts is geen twistpunt dat, zoals Peterse rapporteert, er geen aanwijzingen zijn dat de door Bruins gevonden fenomenen van aggraveren en onderpresteren voortkomen uit een relevante psychiatrische stoornis, in het bijzonder uit persoonlijkheidsproblematiek. 

4.12. 
Uitgaande van duidelijke aggravatie door X tijdens het neuropsychologisch onderzoek, is de vraag in hoeverre nog aangenomen kan worden dat bij X sprake is van reële, niet ingebeelde, niet voorgewende en niet overdreven klachten. Daar waar X stelt dat geen van de beide andere deskundige en geen arts uit de behandelende sector verdenkingen van aggravatie heeft geuit, telt Allianz onweersproken dat, in tegenstelling tot B, geen van die andere deskundigen en artsen daar daadwerkelijk onderzoek naar heeft verricht. Daarbij komt dat bijvoorbeeld Peterse, blijkens zijn rapport bij zijn onderzoek geen gebreken gevonden heeft in de geheugen- en andere cognitieve functies en overweegt dat ook de aandachtsproblemen daarbij niet geobjectiveerd konden worden. Hij noemt in zijn verslag van zijn psychiatrisch onderzoek geen andere klachten dan prikkelbaarheid, moeheid en zorgen om financiën en de toekomst en noemt dus ook geen voor de beoordeling van de vordering relevante niet geaggraveerde cognitieve klachten. Voorts heeft Allianz onweersproken aangevoerd dat X de deskundigen of personen uit de behandelde sector (ook) op een aantal andere onderwerpen inconsequent heeft geïnformeerd of jegens hen niet volledig is geweest, te weten over niet roken, dan wel 1 tot 5 sigaretten per dag, over het al dan niet behalen van haar Havo-en Boekhouddiploma en over het (bij Bruins ) niet als life-events vermelden dat zij op 13 jarige leeftijd met haar familie gevlucht was naar Nederland, dat zij op 18 jarige leeftijd van huis was weggelopen omdat zij een strenge vader had en dat zij van haar eerste echtgenoot moest scheiden, vanwege zijn zware drugsgebruik waardoor hij gewelddadig werd. 

4.13. 
De rechtbank overweegt dat uit genoemde inconsequentheden en het aggraveren van de cognitieve klachten tijdens het neurologpsychologisch onderzoek niet zonder meer volgt dat er bij X in het geheel geen sprake is van reële klachten. Anderzijds is het, nu uit het énige deskundigenonderzoek waarbij onderpresteren specifiek is onderzocht, gebleken is dat daarbij "duidelijk sprake is van aggravatie", niet mogelijk vast te stellen of en van welk deel van de klachten wél mag worden aangenomen dat die klachten aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. Om dit vast te kunnen stellen is immers, bij gebrek aan een objectief medisch substraat, noodzakelijk dat zonder redelijke twijfel afgegaan kan worden op de uitlatingen daarover van X, wat gelet op het vorenstaande niet kan. De omstandigheid dat de deskundigen schrijven dat zij geen inconsistenties hebben waargenomen in het door X genoemde klachtenpatroon en de door X verstrekte gegevens in grote lijnen overeenkomen met de informatie uit de behandelende sector en dat daarin sinds het ongeval in grote lijnen consequent wordt gesproken over nekpijn, hoofdpijn, concentratie-, aandacht-, en vermoeidheidsklachten als mede misselijkheid en duizeligheid doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af, temeer niet nu niet weersproken is dat die informatie steeds gebaseerd is op de klachtenweergave van X zelf. 

4.14. 
Uit het vorenstaande volgt dat niet gebleken is van medisch objectiveerbare aandoeningen, dat geen van de daartoe aangezochte deskundigen het bestaan van reële cognitieve klachten heeft kunnen vaststellen en dat er gelet op de aggravatie niet van kan worden uitgegaan dat de door X genoemde klachten aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. 

4.15. 
De rechtbank overweegt dat in die omstandigheden evenmin beoordeeld kan worden welke klachten in causaal verband staan met het ongeval. Immers, indien de aanwezigheid en ernst van de klachten na het ongeval niet kan worden vastgesteld kan ook niet worden vastgesteld in hoeverre er sprake is van een daadwerkelijke verandering ten opzichte van de situatie vóór het ongeval, laat staan welke verandering aan het ongeval te wijten is. 

4.16. 
Daarbij komt dat er ook nog andere omstandigheden spelen die met zich brengen dat niet zonder meer kan worden vastgesteld dat X voorafgaand aan het ongeval de door haar genoemde gezondheidskIachten niet had, die gezondheidsklachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor die gezondheidsklachten ontbreekt. Daarbij is van belang dat in het medisch dossier ook al vóór het ongeval melding wordt gemaakt van hoofdpijn- en duizeligheidsklachten, dat er in het huisartsjournaal reeds in november 2011 melding van gemaakt wordt dat de nek iets beperkt was - ofschoon de huisarts daarover in een brief nader verklaart dat er geen voorgeschiedenis is van nekbeperkingen - en dat de neuroloog rapporteert dat hij geen uitspraak kan doen of de door X gemelde hoofd- en nekpijn-klachten in causaal verband staan met het ongeval of dat deze ook zonder het ongeval zouden kunnen zijn ontstaan, temeer nu hoofdpijnklachten zonder aanwijsbare oorzaak bij een groot deel van de bevolking voorkomen. 
Verder voert Allianz voor een deel van de klachten een alternatieve oorzaak aan, te weten huwelijksproblemen van X, waarvan het bestaan niet weersproken wordt. De stelling van X dat deze huwelijksproblemen ook veroorzaakt zijn door en toe te rekenen zijn aan het ongeval is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. 

4.17. 
Ten slotte heeft Allianz nog gemotiveerd betwist dat het ongeval überhaupt een flexie/extensietrauma, althans de door X genoemde klachten zou kunnen veroorzaken, gelet op de, aldus Allianz, beperkte impact van het ongeval en het niet inwerken van noemenswaardige krachten op het lichaam van X. Allianz heeft daarbij verwezen naar de geringe schade aan de beide auto's en naar de in overweging 2.5. genoemde delta-v rapportage en de daarin genoemde delta v van tussen de 4 en 8 m/s. Deze beide aspecten zijn door X onvoldoende gemotiveerd weersproken. X stelt weliswaar dat het berekende snelheidsverschil haar verbaast, dat ze een paar meter naar voren is geschoten en dat zij een hoge druk langs haar nek voelde, maar heeft dit verder niet onderbouwd, wat gelet op het voornoemde verweer van Allianz wel van haar verwacht had mogen worden. Partijen twisten voorts over de vraag of bij een ongeval met een delta v van tussen de 4 en 8 m/s letsel als door X gesteld kan ontstaan. Beiden komen met literatuur om hun standpunten te onderbouwen. De rechtbank kan daar zonder nader deskundigenonderzoek geen oordeel over geven. Nu echter, zoals overwogen niet vastgesteld kan worden dat de gestelde klachten reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn, reeds daarom de causaliteitsvraag niet te beantwoorden is en de aansprakelijkheid van Allianz reeds daarop afstuit, laat de rechtbank nader onderzoek op dit laatste punt achterwegen, nog daargelaten dat ook voor een dergelijk onderzoek naar de vraag of het ongeval de klachten kán hebben veroorzaakt moet vast staan om welke klachten het dan gaat. 

4.18. 
De conclusie is dat de vordering van X ten aanzien van de onderdelen 1. tot en met VII. en X. voor afwijzing gereed liggen. 

4.19. 
X vordert op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW buitengerechtelijke kosten en de expertisekosten ten bedragen van in totaal nog € 14.524,59, waaronder 'de integrale advocaatkosten van de gevoerde deskundigenprocedures' . De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 6:96 lid 3 BW artikel 6:96 lid 2 BW niet van toepassing is, voor zover krachtens artikel 241 Rv de regels betreffende proceskosten van toepassing zijn. Volgens artikel 241 Rv komen de proceskosten waarvoor artikel 237 tot en met 240 Rv een vergoeding plegen in te sluiten, waaronder de kosten ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak, niet als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking, maar gelden daarvoor die regels betreffende proceskosten. Onder proceskosten vallen de salarissen, waaronder de kosten voor rechtsbijstand voor het indienen van een verzoekschrift tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht, en verschotten, waaronder de kosten van de voorlopige deskundigenberichten. Anders dan X stelt is geen reden om aan te nemen dat deze kosten buiten de uitzondering van 6:96 lid 3 BW op 6:96 lid 2 BW zouden vallen. Deze kosten, die bij de proceskostenveroordelingaan de orde komen, kunnen dan ook niet worden aangemerkt als, door Allianz te vergoeden, vermogensschade in de zin van artikel 6:96 BW, zodat de vordering van X in zoverre niet toewijsbaar is. X heeft in haar vordering geen onderscheid gemaakt tussen enerzijds de advocaat- en" andere kosten in verband met de deskundigenprocedures en anderzijds overige (advocaat-kosten, die mogelijk wel onder het bereik van artikel 6:96 lid 2 vallen. Voorts is geen punt van geschil dat Allianz reeds € 7.000.00 aan buitengerechtelijke kosten en € 1.071,46 aan verschotten heeft vergoed. In deze omstandigheden is niet afdoende onderbouwd en kan niet worden vastgesteld dat X boven wat reeds is vergoed nog buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt die niet als proceskosten, maar als vermogensschade zijn aan te merken. Dit betekent dat ook dit deel van de vordering zal worden afgewezen. 

4.20. 
X zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Allianz worden begroot op: 
-          griffierecht                                                        €             3.903,00 
-          deskundigen                                                     €             9.503,34 
-          salaris advocaat                                               €             7.105.00 (5,0 punten x tarief € 1.421,00) 
                                                                                   _________________________________________
Totaal                                                                          €           20.511,34 

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2017/rb-gelderland-130917