Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA 280722 verzocht 20 uur x € 275,00 + 21%, begroot, niet toegewezen, 15 uur x € 275,00 + 21% = € 4991,25

RBDHA 280722 gemeente niet aansprakelijk voor val over 4 cm hoge rand tussen fiets- en voetpad
- verzocht 20 uur x € 275,00 + 21%, begroot, niet toegewezen, 15 uur x € 275,00 + 21% = € 4991,25

2De feiten

2.1.

In juli 2019 verbleef [verzoekster] samen met haar echtgenoot gedurende een aantal dagen in het NH-hotel in Den Haag, gelegen in het Beatrixkwartier (in de wijk Bezuidenhout). Op zaterdagochtend 20 juli 2019 liepen [verzoekster] en haar echtgenoot vanuit het NH-hotel over de Prinses Beatrixlaan richting de roltrap naar de tramhalte “Beatrixkwartier”. Nadat [verzoekster] en haar echtgenoot de AH to go (Prinses Beatrixlaan 590) en het Belastingkantoor (Prinses Beatrixlaan 512) waren gepasseerd, wilden zij naar de roltrap lopen. [verzoekster] is vervolgens ten val gekomen door de afscheiding tussen het voetgangersgebied en het fietspad. Onderstaande afbeelding van Google Maps (van september 2018) toont (van enige afstand) de situatie ter plaatse zoals deze was ten tijde van het ongeval:

2.2.

Het (vanaf de rijrichting gezien) aan de rechterkant gelegen voetpad is afgescheiden van het lager gelegen fietspad (en verdere voetgangersgebied) door middel van een niveauverschil: een (vanaf het fietspad gezien) opstaande rand (in de processtukken ook wel richel genoemd) van vier centimeter. Deze rand was ten tijde van het ongeval aan de zijkant gemarkeerd met een stalen belijning. De situatie is verder zo dat de tegels van het voetpad en het fietspad dezelfde kleur hebben, maar verschillend in formaat zijn. De tegels van het fietspad zijn namelijk kleiner. Hier en daar bevindt zich een rij grijze tegels, doorlopend over het gehele gebied (zie bovenstaande foto). Aan de linkerkant van het fietspad, waar weer sprake is van een voetgangersgebied, is geen niveauverschil aangebracht, maar is de afscheiding gemarkeerd door het verschillend formaat van de tegels. Aan weerszijden van het fietspad waren ten tijde van het ongeval rvs-stippen (hierna: punaises) aanwezig. Partijen hebben verschillende foto’s overgelegd waarop de opstaande rand, de stalen belijning en de rvs-keurige punaises van dichtbij te zien zijn.

2.3.

[verzoekster] is na het ongeval per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. In het ziekenhuis bleek dat [verzoekster] als gevolg van de val haar been op drie plaatsen gebroken had. [verzoekster] heeft diverse (herstel)operaties moeten ondergaan en een revalidatietraject. [verzoekster] ervaart nog veel beperkingen als gevolg van het bij de val opgelopen beenletsel. De woning van [verzoekster] moest door deze beperkingen op meerdere punten worden aangepast.

2.4.

Bij brief van 6 september 2019 heeft [verzoekster] de gemeente aansprakelijk gesteld voor de door haar als gevolg van het ongeval geleden schade. De gemeente heeft aansprakelijkheid bij brief van 14 januari 2020 afgewezen. Ook na diverse correspondentie over en weer heeft de gemeente haar afwijzende standpunt gehandhaafd.

3Het geschil

3.1.

[verzoekster] heeft de rechtbank bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verzocht:

  1. voor recht te verklaren dat de gemeente aansprakelijk is voor de schade van [verzoekster] ten gevolge van het ongeval dat haar op 20 juli 2019 is overkomen;

  2. de kosten van het deelgeschil te begroten op € 7.956,--, met veroordeling van de gemeente tot betaling van de begrote kosten binnen veertien dagen na de datum van de beschikking.

3.2.

[verzoekster] legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag. [verzoekster] is, toen zij in de zomer van 2019 met haar echtgenoot Den Haag bezocht, op de Prinses Beatrixlaan, nadat eerst haar echtgenoot zich heeft verstapt (maar zonder dat hij zich daarbij heeft verwond), ten val gekomen over de afscheiding tussen het voetpad en het fietspad. Deze afscheiding bestaat uit een niveauverschil van vier centimeter dat het voetpad van het lager gelegen fietspad scheidt. Dit hoogteverschil is, in zijn algemeenheid en zeker op een donkere ochtend na een regenachtige nacht zoals in dit geval, niet voldoende zichtbaar. Het feit dat de tegels van het voetpad een ander formaat hebben dan de tegels van het fietspad maakt dit niet anders. De tegels zijn namelijk van dezelfde kleur en hetzelfde materiaal en zijn op het eerste oog gelijk aan elkaar waardoor het voet- en fietspad één geheel vormen. De bestrating vormt dus onvoldoende waarschuwing. Ook de punaises aan weerszijden van het fietspad vormden geen voldoende aankondiging van het niveauverschil. Doordat het niveauverschil nauwelijks zichtbaar is, wordt een gevaarlijke situatie in het leven geroepen. Er bestaat namelijk een aanzienlijk risico dat iemand die de richel niet opmerkt ten val komt met ernstig letsel tot gevolg. Dat sprake is van een gevaarlijke situatie blijkt ook uit het feit dat de gemeente eerder al drie meldingen heeft ontvangen van burgers die erop hebben gewezen dat de rand niet zichtbaar is en dat er daardoor valgevaar bestaat. In het geval van [verzoekster] heeft het gevaar zich ook verwezenlijkt. De gemeente had eenvoudige veiligheidsmaatregelen kunnen en moeten treffen om het onderscheid tussen het voetpad en het fietspad zichtbaarder te maken en de opstaande rand aan te kondigen (zoals het aanbrengen van wegmarkeringen en/of het plaatsen van waarschuwingsborden), maar dit heeft zij nagelaten. Gelet op het voorgaande is sprake van een gebrekkige weginrichting, althans van onrechtmatige gevaarzetting. De gemeente is daarom op grond van artikel 6:174 van het Burgerlijk Wetboek (BW), althans artikel 6:162 BW aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval, aldus [verzoekster].

3.3.

De gemeente voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

Toedracht

4.1.

De gemeente heeft in de eerste plaats opgemerkt dat één en ander onduidelijk is over de toedracht van het ongeval. Zo heeft [verzoekster] volgens de gemeente nagelaten om exact aan te geven waar zij is gevallen en kan daarnaast niet worden uitgesloten dat, nu de echtgenoot van [verzoekster] eerst is gevallen, het ongeval van [verzoekster] (mede) hierdoor is veroorzaakt.

4.2.

Aan dit verweer van de gemeente gaat de rechtbank, als onvoldoende gemotiveerd, voorbij. [verzoekster] heeft gesteld dat zij op de Prinses Beatrixlaan is gevallen ter hoogte van het kantoor van de Belastingdienst (op nummer 512) doordat zij zich door de opstaande rand tussen het fietspad en het voetpad heeft verstapt en daardoor is gevallen. Deze toedracht wordt ondersteund door de verklaring van de echtgenoot van [verzoekster] (weergegeven in de als productie 4 bij het verzoekschrift overgelegde brief van 14 januari 2020 van de gemeente). Concrete aanknopingspunten die erop wijzen dat [verzoekster] ergens anders door is gevallen dan de opstaande rand tussen het fietspad en het voetpad ontbreken. De rechtbank gaat daarom bij de verdere beoordeling van het geschil uit van de door [verzoekster] gestelde toedracht van het ongeval.

Is de gemeente aansprakelijk?

4.3.

De vraag die voorligt is of de gemeente op grond van artikel 6:174 en/of artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de gevolgen van het [verzoekster] overkomen ongeval. In de kern ziet het geschil erop of de afscheiding tussen het fiets- en voetpad (de opstaande rand van vier centimeter) gebrekkig of gevaarlijk is omdat deze afscheiding niet voldoende zichtbaar is.

Toetsingskader

4.4.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van de voorliggende vraag voorop dat de aansprakelijkheid van de beheerder van de (inrichting van de) weg op grond van artikel 6:174 BW moet worden beoordeeld aan de hand van de maatstaven die zijn ontwikkeld in het Wilnis-arrest (HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236). Uit deze uitspraak volgt dat een wegbeheerder alleen aansprakelijk is voor schade van een benadeelde, als die schade is veroorzaakt door een gebrek in de openbare weg waardoor een gevaar is ontstaan voor personen en zaken, dat zich heeft verwezenlijkt. De weg is gebrekkig als deze niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Daarbij komt het aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of de desbetreffende weg, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. Deze maatstaven komen overeen met de Kelderluikcriteria.

Gebrekkige of gevaarlijke weginrichting?

4.5.

De rechtbank is, met de gemeente, van oordeel dat de afscheiding die is aangebracht om het voetpad van het fietspad te scheiden niet gebrekkig of gevaarlijk is.

4.6.

De rechtbank stelt in dit verband voorop dat de gemeente er onweersproken op heeft gewezen dat voorafgaand aan de herinrichting van het betreffende gebied in 2006 over (onder meer) het hoogteverschil positief is geadviseerd door de zowel de Adviescommissie Openbare Ruimte (ACOR) als de commissie Vooroverleg Verkeerszaken (VOV) en dat de afscheiding in lijn is met het Handboek Openbare Ruimte Den Haag. Verder heeft de gemeente benadrukt dat bij de herinrichting de belangen van verschillende verkeersdeelnemers zijn meegewogen. De rechtbank gaat er op basis van het voorgaande van uit dat het betreffende gebied is ingericht op basis van weloverwogen besluitvorming. Een opstaande rand ter afscheiding van een fietspad van een voetpad is in Nederland (althans de gemeente Den Haag) ook niet ongebruikelijk en komt veelvuldig voor.

4.7.

Op basis van de door beide partijen overgelegde foto’s van het betreffende gebied oordeelt de rechtbank dat de opstaande rand ter afscheiding van het fietspad van het rechts daarvan gelegen voetpad, mede door de stalen belijning aan de zijkant van de rand, voldoende zichtbaar moet zijn geweest voor [verzoekster] (en haar echtgenoot). Het onderscheid tussen voetpad en fietspad is bovendien extra benadrukt door het gebruik van een verschillend formaat tegels en met de punaises aan weerszijden van het fietspad om de loop van het fietspad te markeren. Ook is een hoogteverschil van 4 cm tussen een voetpad en een fietspad gebruikelijk en dient daarmee rekening te worden gehouden. Bovendien valt niet te verwachten dat een misstap ten gevolge van het genoemde hoogteverschil tot ernstig letsel zal leiden.

4.8.

Volgens [verzoekster] is het gebruik van een verschillend formaat tegels en het gebruik van de punaises, zeker op een donkere en regenachtige dag, onvoldoende om voor de opstaande rand te waarschuwen. De rechtbank ziet dit anders. De combinatie van de opstaande rand met stalen belijning, het verschillende formaat tegels en de punaises was voldoende om de afscheiding ook in het donker en bij slecht weer tijdig te kunnen waarnemen. De rechtbank merkt hierbij nog op dat de roestvrijstalen punaises bij regenachtig weer, in tegenstelling tot de tegels, gaan glimmen zodat er, anders dan [verzoekster] heeft gesteld, juist wel sprake is van een duidelijk onderscheid tussen de tegels en de punaises. De rechtbank concludeert dat de situatie ter plaatse – ook op een donkere en regenachtige dag – voor redelijk oplettende verkeersdeelnemers voldoende duidelijk en zichtbaar is en dat de weginrichting voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Het nemen van verdere maatregelen (zoals een specifieke waarschuwing voor de opstaande rand) was onder deze omstandigheden niet nodig.

4.9.

Het is juist dat een wegbeheerder er bij de inrichting van de weg rekening mee moet houden dat verkeersdeelnemers niet steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid in acht zullen nemen, maar van een weggebruiker mag wel worden verwacht voldoende om zich heen te kijken. De rechtbank is van oordeel dat [verzoekster] dit onvoldoende heeft gedaan. Gebleken is immers dat zij op 20 juli 2019 al enige tijd in het NH-hotel verbleef en al uitstapjes had gemaakt (lopend richting het centrum) en dus gebruik makend van de stoep langs het fietspad, waarbij zij – om het centrum lopend te bereiken – het fietspad ook al eerder heeft moeten oversteken. Op de dag van het ongeval heeft [verzoekster] het hotel (opnieuw) verlaten en eerst circa 75 meter over het langs het fietspad gelegen voetpad gelopen richting de roltrap naar de tramhalte. Zeker gelet op deze afgelegde afstand heeft [verzoekster] voldoende gelegenheid gehad om de betreffende afscheiding tussen voetpad en fietspad op te merken. Het regenachtige weer doet daaraan niet af en maakt juist dat [verzoekster] extra voorzichtig had moeten zijn.

4.10.

[verzoekster] heeft de gemeente ook verweten dat zij al eerder is gewaarschuwd in verband met de gebrekkigheid van de opstaande rand en desondanks geen maatregelen heeft genomen. De rechtbank overweegt in dit verband dat de gemeente weliswaar heeft erkend dat zij in 2006, vlak na de herinrichting van het gebied, drie meldingen heeft ontvangen over de opstaande rand en het bijkomende valgevaar, maar de gemeente heeft toegelicht dat deze meldingen afkomstig waren van bezorgde burgers en dat er daarna, dus al 16 jaar, geen meldingen meer bij de gemeente zijn binnengekomen. Bovendien heeft de gemeente ter zitting toegelicht dat die meldingen vooral betrekking hadden op mogelijk valgevaar voor fietsers vanwege de opstaande metalen rand. De gemeente heeft er verder op gewezen dat, op het ongeval van [verzoekster] na, geen ongevallen (met letsel tot gevolg) bekend zijn die beweerdelijk zijn veroorzaakt door de opstaande rand en dat zij ook nooit eerder aansprakelijk is gesteld in verband hiermee. Dat dit anders is heeft [verzoekster] niet onderbouwd. [verzoekster] heeft ook nog aangevoerd dat politieagenten aan haar zouden hebben verklaard dat er vaker ongelukken gebeuren door het hoogteverschil. Echter, gesteld noch gebleken is dat de gemeente daarvan (ook) op de hoogte was. De kennis van de politieagenten kan dan ook niet aan de gemeente worden toegerekend, zodat er voor de gemeente geen aanleiding was om maatregelen te nemen.

Slotsom

4.11.

Het voorgaande leidt ertoe dat de verzochte verklaring voor recht zal worden afgewezen. Aan het subsidiaire verweer van de gemeente dat sprake is van eigen schuld bij [verzoekster] komt de rechtbank dus niet toe.

Kosten deelgeschil

4.12.

Ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen, moet in beginsel op grond van artikel 1019aa Rv begroting plaatsvinden van de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt. Hierbij wordt de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd: het moet redelijk zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten moet eveneens redelijk zijn. Dit betekent dat als een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank is van oordeel dat van deze laatste situatie in dit geval geen sprake is, aangezien het [verzoekster] niet al op voorhand duidelijk had moeten zijn dat het verzoek niet zou slagen. De rechtbank acht het dan ook redelijk dat kosten in verband met dit deelgeschil zijn gemaakt. De rechtbank zal daarom overgaan tot begroting van de kosten.

4.13.

De advocaten van [verzoekster] hebben de aan de behandeling van het verzoek verbonden kosten begroot op een bedrag van € 7.956,-- in totaal, uitgaande van een tijdsbesteding van 20 uur, een uurtarief van € 275,-- en 21% BTW, vermeerderd met een bedrag aan griffierecht van € 1.301,--. De gemeente heeft bezwaar gemaakt tegen het aantal opgevoerde uren.

4.14.

De rechtbank is met de gemeente van oordeel dat, gezien de relatief geringe complexiteit van deze zaak en gezien het gehanteerde specialistentarief, de opgevoerde tijdsbesteding gematigd moet worden. De rechtbank acht het redelijk om voor deze zaak uit te gaan van een tijdsbesteding van 15 uur in totaal (de begrote 10 uur voor het opstellen van het verzoekschrift, te vermeerderen met 5 uur voor het bestuderen van het (in omvang beperkte) verweerschrift, het voorbereiden en bijwonen van de zitting en het bespreken van de uitspraak met [verzoekster]). Dit leidt ertoe dat de aan deze procedure verbonden kosten worden begroot op een bedrag van € 4.991,25 (15 uur x € 275,--, te vermeerderen met 21% BTW). Deze kosten worden verder nog vermeerderd met het betaalde griffierecht van € 1.301,--, zodat het totaalbedrag uitkomt op € 6.292,25.

4.15.

Nu de aansprakelijkheid (en daarmee de vergoedingsplicht) van de gemeente in deze procedure niet is komen vast te staan, zal het verzoek van [verzoekster] om de gemeente te veroordelen in de kosten van dit deelgeschil worden afgewezen. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het begrote bedrag uitsluitend verschuldigd is als aansprakelijkheid van de gemeente alsnog (in rechte) komt vast te staan. ECLI:NL:RBDHA:2022:15965