Overslaan en naar de inhoud gaan

GHARL 260923 geen letsel; oordeel na deskundigenbericht; vangrailconstructie is gebrekkig idzv 6:174 BW

GHARL 260923 geen letsel; oordeel na deskundigenbericht; vangrailconstructie is gebrekkig idzv 6:174 BW


in vervolg op:
GHARL 050722 geen letsel; Vangrailconstructie gebrekkig idzv 6:174 BW? Benoeming deskundige, vraagstelling

2De verdere beoordeling door het hof

Gebrekkige opstal?

2.1

Het hof heeft in zijn tussenarrest van 5 juli 2022 vooropgesteld dat de vraag of de vangrailconstructie, waar de bus tegenaan is gereden, (ter plaatse) voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mochten worden gesteld (vgl. artikel 6:174 BW) en dus wel of niet gebrekkig was, moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaven die zijn ontwikkeld in de Wilnis-uitspraak van de Hoge Raad.1 Hierbij komt het aan op de - naar objectieve maatstaven te beantwoorden - vraag of de vangrailconstructie deugdelijk is, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn (Wilnis, rov. 4.4.4). Deze van toepassing zijnde maatstaven komen overeen met de in de rechtspraak ontwikkelde zogenoemde ‘kelderluikcriteria’.2

2.2

Omdat het hof zich op basis van de stellingen van partijen ten tijde van genoemd tussenarrest niet voldoende voorgelicht achtte om met inachtneming van de hiervoor weergegeven maatstaf een beslissing op dit punt te kunnen nemen, heeft het in zijn tussenarrest van 20 december 2022 een deskundigenonderzoek gelast.

2.3

De deskundige komt in zijn deskundigenrapport tot – samengevat – de conclusie dat

( i) de ter plaatse van het ongeval gekozen vangrailconstructie (naar het hof begrijpt: op zichzelf) gangbaar was ten tijde van de realisatie van de weg (circa 2006-2010);

(ii) de afstand van de kantmarkering (de doorgetrokken witte streep) tot de vangrailconstructie gering is en ook onvoldoende; het wegontwerp is niet voldoende ‘vergevingsgezind’ en heeft als consequentie dat kleine stuurfouten ernstige gevolgen kunnen hebben;

(iii) het begin van de vangrailconstructie achter het begin van het rooster is gelegen; om het rooster goed af te schermen had de vangrailconstructie ruim voor het rooster al ‘op hoogte’ moeten zijn;

(iv) het indertijd gangbaar was en nog steeds is om het beginpunt van een vangrailconstructie (van waar de hoogte van de vangrailconstructie oploopt) te situeren buiten de obstakelvrije zone. Zou dat in dit geval ook zijn gedaan, dan had de bus de vangrailconstructie (slechts) geschampt;

( v) in het huidige ontwerp de kopse kant van de vangrailconstructie uit een omkeerstuk bestaat. Het omkeerstuk heeft geen functie om bots-energie te absorberen, zoals een terminal die wel heeft. De bus had minder schade gehad als er een terminal was toegepast;

(vi) er verschillende alternatieven beschikbaar waren voor de huidige vangrailconstructie, waaronder het plaatsen van een voldoende draagkrachtig rooster;

(vii) de huidige plaatsing van de vangrailconstructie het rooster niet afschermt, maar voertuigen juist op het rooster ‘trechtert’;

(viii) de gekozen (hoge) stijfheid van het metaal weliswaar niet is aangewezen voor een

gebiedsontsluitingsweg binnen de bebouwde kom, maar voor dit specifieke ongeval op zich niet ongunstig is;

(ix) de CROW richtlijnen in dit geval toepassing misten, omdat in het onderhavige geval er geen sprake was van een verwijzing (naar die richtlijnen) in een wet of in vastgesteld beleid. Dat betekent dat de wegbeheerder in dit geval mocht afwijken van de richtlijn, mits gemotiveerd. In het dossier ontbreekt echter een dergelijke motivatie.

2.4

Blijkens haar memorie na deskundigenbericht is de gemeente het niet eens met de conclusies van de deskundige. Arriva kan zich van haar kant wel in een belangrijk deel van de conclusies van de deskundige vinden.

2.5

Bij de beoordeling van de bezwaren van partijen tegen een deskundigenrapport stelt het hof het navolgende voorop. Voor de rechter geldt een beperkte motiveringsplicht ten aanzien van zijn beslissing om de bevindingen van een deskundige al dan niet te volgen.

Wel dient hij bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusie waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen, in zijn beslissing zal volgen, alle ter zake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang te toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken. De rechter zal op specifieke bezwaren van een partij moeten ingaan als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van de deskundige. Indien de deskundige deze bezwaren in een rapport al gemotiveerd heeft verworpen, zal de rechter zich daarbij zonder verdere motivering mogen aansluiten, tenzij de betrokken partij na het rapport nieuwe specifieke bezwaren heeft aangevoerd.

2.6

Het hof leidt uit de hierboven weergegeven bevindingen van de deskundige en diens rapport af dat deze van oordeel is (a) dat het wegontwerp evenals de gekozen uitvoering van de vangrailconstructie niet goed doordacht zijn en, in combinatie met elkaar, al bij kleine stuurfouten tot grote schade kunnen leiden. Uit zijn rapport leidt het hof verder af dat (b) ook naar destijdse gangbare inzichten het verkieslijk (en haalbaar) was geweest ofwel het beginpunt van de vangrailconstructie (van waar de hoogte van de vangrailconstructie oploopt) te situeren buiten de obstakelvrije zone, in welk geval de bus de vangrailconstructie (slechts) had geschampt, ofwel de kopse kant van de vangrailconstructie niet uit een omkeerstuk te laten bestaan, maar uit een terminal, in welk geval de bus minder schade had gehad. Ook leidt het hof uit de bevindingen van de deskundige af dat (c) er destijds verschillende alternatieven beschikbaar waren voor de huidige vangrailconstructie, waaronder de mogelijkheid om een voldoende draagkrachtig rooster te plaatsen.

2.7

Hoewel de gemeente het blijkens haar memorie na deskundigenbericht niet eens is met de bevindingen van de deskundige, draagt zij daarin geen voldoende concrete en onderbouwde argumenten aan die de hiervoor onder a-c genoemde bevindingen van de deskundige ontzenuwen. Het voornaamste bezwaar van de gemeente lijkt te zijn dat de deskundige niet heeft duidelijk gemaakt of, en zo ja, welk normenkader hij heeft toegepast. Dat generieke bezwaar acht het hof niet steekhoudend. De deskundige heeft duidelijk uiteengezet dat en waarom de vangrailconstructie anders en beter uitgevoerd had kunnen en moeten worden, ook zonder dat er specifieke normen/richtlijnen golden voor een constructie als deze, en dat er ook meerdere alternatieven voor de gekozen constructie bestonden. Dat hij daarbij mede gebruik heeft gemaakt van zijn beroepskennis omtrent (destijdse) inzichten over gangbaarheid op het gebied van weginrichting is geen reden om hetgeen hij daarover onderbouwd in zijn rapport heeft verklaard, ter zijde te schuiven.

2.8

Op basis van het onder 2.6 weergegeven oordeel van de deskundige komt het hof, met toepassing van de hiervoor genoemde kelderluikcriteria, tot de gevolgtrekking dat de vangrailconstructie, waar de bus tegenaan is gereden, ter plaatse niet voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mochten worden gesteld, en dat deze dus gebrekkig was. Hierbij weegt het hof mee dat de weg ter plaatse voor alle soorten gemotoriseerd verkeer (en dus ook voor autobussen) toegankelijk was (en is) en dat deze dus geschikt diende te zijn voor busverkeer, dat volgens de deskundige het wegontwerp in combinatie met de gekozen vangrail-constructie al bij kleine stuurfouten tot grote schade kunnen leiden, dat de huidige vangrailconstructie niet (eens) effectief is (zie rov. 2.3 hiervoor onder vii) en dat naar opvatting van de deskundige onder meer een voldoende draagkrachtig rooster een alternatief voor plaatsing van de vangrailconstructie zou zijn geweest. Indien daarbij wordt betrokken dat het een feit van algemene bekendheid is dat kleine stuurfouten geregeld in het verkeer voorkomen (en de kans op verwezenlijking van het gevaar op schade aan motorvoertuigen en inzittenden ter plaatse dus reëel was en is) en de gemeente niet gemotiveerd heeft betwist dat ook aan (de kopse kant van de) vangrail aan de andere kant sprake is van schade (hetgeen duidt op ook nog een ander ongeval) is de conclusie gerechtvaardigd dat de vangrailconstructie niet voldeed (noch voldoet) aan de daaraan op grond van artikel 6:174 BW te stellen eisen. Dat betekent dat de gemeente in beginsel aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door Arriva geleden schade. Grief I in het principaal appel faalt derhalve.

Eigen schuld?

2.9

De gemeente heeft in haar memorie na deskundigenbericht herhaald dat van schadeplichtigheid harerzijds geen sprake kan zijn; op grond van artikel 6:101 BW dient alle schade – zo nodig met toepassing van de billijkheidscorrectie – voor rekening van Arriva te blijven. Dit vermag het hof niet in te zien. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting (waaronder het feit dat de chauffeuse niet heeft geremd en het feit dat de bus een aanzienlijke overhang aan de voorzijde had) maakt het hof op dat het ongeval vooraf is gegaan door een lichte stuurfout van de chauffeuse van Arriva. Zulke stuurfouten behoren tot de realiteit van het alledaagse wegverkeer; elk mens – dus ook een oplettend en redelijk handelend bestuurder – maakt een dergelijke fout weleens. Het maken van dergelijke fouten betekent niet dat daarmee gelijk ook voldaan is aan de eisen van ‘eigen schuld’, oftewel dat kan worden gezegd dat de gelaedeerde zich anders heeft gedragen dan van hem in de gegeven omstandigheden in redelijkheid mocht worden verwacht en dat zijn schade daarom mede een gevolg is van een omstandigheid die aan hem toegerekend dient te worden. Aan toepassing van artikel 6:101 BW komt het hof in deze zaak daarom niet toe. De tweede grief van de gemeente slaagt dus evenmin.

Omvang schade aan bus

2.10

Met grief III komt de gemeente op tegen de door de rechtbank vastgestelde omvang van de schade aan de bus. Ook deze grief treft geen doel. Bij dagvaarding heeft Arriva al een expertiserapport van Dekra overgelegd waarin de schade wordt begroot op het door Arriva gestelde bedrag. Dat rapport is door de gemeente niet gemotiveerd weerlegd. Bij memorie van antwoord in principaal appel heeft Arriva een productie overgelegd die aanvullend onderbouwt dat de schade daadwerkelijk door haar is geleden,. De derde grief van de gemeente faalt.

2.11

Daarentegen slaagt grief 1 in het incidenteel appel van Arriva. Met haar is het hof van oordeel dat in de hypothetische situatie dat de onveilige vangrailconstructie er niet zou zijn geweest en de gemeente zou hebben gekozen voor een veilig alternatief, bijvoorbeeld door een zwaarder en voldoende draagkrachtig rooster aan te brengen, het ongeval met de vangrail niet zou hebben plaatsgevonden en de schade zich niet op de onderhavige wijze en ook niet op andere wijze zou hebben verwezenlijkt. De door Arriva gestelde omvang van de schade aan de bus komt derhalve voor vergoeding in aanmerking.

Stilstandschade

2.12

De memorie van grieven in principaal appel bevat twee grieven IV. De eerste daarvan keert zich tegen de toewijzing door de rechtbank van door Arriva gevorderde stilstandschade. Die schade is op instigatie van Arriva en onder verwijzing door Arriva naar het door haar overgelegde expertiserapport door de rechtbank (abstract) berekend conform de bedrijfsregeling no. 5. Gelet op de onderbouwing die Arriva in eerste aanleg voor deze wijze van schadebegroting heeft gegeven, de door haar gestelde moeilijkheden die een concrete vorm van schadebegroting zou opleveren en gelet op de ruimte die de wet nu eenmaal aan de rechter biedt om tot een passende wijze van schadebegroting over te gaan, had het op de weg van de gemeente gelegen in hoger beroep een meer gemotiveerd verweer te voeren tegen de door Arriva voorgestelde wijze van schadebegroting, dan zij heeft gedaan. In die situatie acht ook het hof de door de rechtbank gehanteerde wijze van berekening van die schade in dit geval passend. De eerste grief IV van de gemeente faalt derhalve.

Kosten Dekra en Baan Hofman

2.13

De tweede grief IV van de gemeente bestrijdt de toewijzing door de rechtbank van de kosten van Dekra en Baan Hofman. Voor zover met deze grief wordt voortgebouwd op de daaraan voorafgaande grieven, deelt deze grief in het lot daarvan. De stelling dat het rapport van Baan Hofman “niet deugdelijk is en ook niets toevoegt”, is niet van een deugdelijke onderbouwing voorzien, waaruit zou moeten volgen dat de in verband met dit rapport gemaakte kosten de toets van artikel 6:96 BW niet doorstaan. Ook deze grief kan dus niet slagen.

Proceskosten eerste aanleg

2.14

De vijfde grief van de gemeente ziet op de proceskostenveroordeling door de rechtbank. Nu deze grief voortbouwt op de daaraan voorafgaande, verworpen grieven, is zij eenzelfde lot beschoren.

Buitengerechtelijke kosten

2.15

Met haar tweede grief in incidenteel appel stelt Arriva de vraag aan de orde of zij recht heeft op vergoeding van de door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten. Deze grief slaagt. In een procedure zoals de onderhavige komen dergelijke kosten op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW eerst voor vergoeding in aanmerking indien aan de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets is voldaan. Dat betekent dat deze kosten niet alleen binnen een redelijke omvang moeten blijven, maar ook dat het in de gegeven omstandigheden redelijk moet zijn deze kosten te maken. Dat namens Arriva buitengerechtelijke werkzaamheden in de door haar bij memorie van grieven in incidenteel appel gestelde omvang zijn verricht, is door de gemeente vervolgens niet gemotiveerd betwist en evenmin dat die kosten de hiervoor genoemde toets kunnen doorstaan. Gelet daarop zullen de gevorderde incassokosten ten bedrage van € 1.926,42 worden toegewezen.
Voor toewijzing van het primair gevorderde bedrag van € 4.219,- bestaat geen grond, omdat die kosten de eerste redelijkheidstoets niet doorstaan.

De slotsom: het principaal hoger beroep slaagt niet, het incidenteel hoger beroep wel

2.16

De conclusie van het voorgaande is dat het hoger beroep van de gemeente niet slaagt en dat het incidenteel hoger beroep van Arriva wel slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal daarom deels worden vernietigd en voor het overige worden bekrachtigd.

2.17

De gemeente zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten van het principaal en incidenteel appel worden veroordeeld. Onder die kosten vallen ook de nakosten, zonder dat het hof deze kosten in het dictum hoeft te specificeren.3

ECLI:NL:GHARL:2023:8088

1HR 14 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236.

2HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079 (Kelderluik); zie voorts onder meer HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:47, en HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283.

3HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.