Overslaan en naar de inhoud gaan

RBNHO 181022 finale kwijting in beëidigingsovk arbeidovk ziet niet op gevolgen ongeval

RBNHO 181022 wn-er glijdt uit op buitentrap; tegengestelde verklaringen wn-er ism 21 Rv; verzoek tzv aansprakelijkheid afgewezen
- verzocht, begroot en niet toegewezen 36,5 uur x € 195,- + 21% = € 8612,18
- finale kwijting in beëidigingsovk arbeidovk ziet niet op gevolgen ongeval

2
De feiten

2.1.
[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] , is op 16 juni 2000 als beveiligingsmedewerker A in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) Trigion.

2.2.
Op 19 december 2017 beveiligde [verzoekster] een bedrijvencomplex gelegen aan de Wognumsebuurt 10 te Alkmaar (hierna: het bedrijvencomplex). De daarbij behorende parkeergarage en de daaronder gelegen fietsenstalling bevinden zich ten opzichte van het bedrijvencomplex aan de overzijde van de weg. Aan de zijkant van de parkeergarage ligt een trap die toegang geeft tot de fietsenstalling.

2.3.
De bewuste trap is te zien op de afbeelding hieronder (gemaakt door de griffier op 20 september 2022 tijdens de voortgezette zitting ter plaatse).

trap

2.4.
Op 10 april 2018 is Trigion door een (voormalige) belangenbehartiger van [verzoekster] aansprakelijk gesteld voor schade die [verzoekster] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van een bedrijfsongeval op 19 december 2017. Daarbij is gesteld dat [verzoekster] op 19 december 2017 tijdens haar werkzaamheden bij het betreden van de hiervoor genoemde trap is uitgegleden en als gevolg daarvan letsel heeft opgelopen.

2.5.
In de brief van 10 april 2018, waarbij Trigion aansprakelijk is gesteld, staat onder meer het volgende:

( ... ) Cliënte liep kort na aanvang van haar ochtenddienst om 06.30 uur het object langs dat zij diende te beveiligen, te weten het bedrijvencomplex van verzekeringsmaatschappij Reaal te Alkmaar. Het was nog donker. Zij wilde de parkeergarage van het complex betreden via een trap, maar gleed daarbij uit over een grote hoeveelheid bladeren die op de trap lagen.

Cliënte vertelde mij dat het gebouw enigszins verouderd was en op korte termijn zou worden gesloten. Het viel haar op dat het onderhoud van het gebouw al een aantal maanden vóór het ongeval verslechterd was/stil lag. Zij vreest dat dat de reden was waarom er dusdanig veel bladeren op de trap lagen, dat zij daarover uitgleed. ( ... )

2.6.
Bij brief van 20 juni 2018 is namens Trigion de aansprakelijkheid betwist.

3
Het geschil

3.1.
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter om voor recht te verklaren dat Trigion aansprakelijk is voor het bedrijfsongeval dat [verzoekster] op 19 december 2017 is overkomen en om te bepalen dat Trigion de geleden en nog te lijden schade moet vergoeden. Daarnaast verzoekt [verzoekster] de kantonrechter om de kosten van deze procedure te begroten op € 8.697,18 en Trigion te bevelen dit bedrag te betalen. [verzoekster] legt aan haar verzoek ten grondslag – kort weergegeven – dat zij op 19 december 2017 tijdens haar werkzaamheden van eerdergenoemde trap is gevallen en dat Trigion aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] als gevolg van het ongeval heeft geleden.

3.2.
Trigion betwist de gestelde aansprakelijkheid. Trigion voert daartoe aan – samengevat – dat in een beëindigingsovereenkomst tussen partijen van 25 maart 2020 een finaal kwijtingsbeding is opgenomen dat in de weg staat aan toewijzing van het verzoek, en dat Trigion aan haar zorgplicht als werkgever heeft voldaan. Ook meent Trigion dat traplopen een alledaagse bezigheid is, waarvoor geen specifieke instructies hoeven te worden gegeven, en dat de trap als veilig kan worden aangemerkt.

4
De beoordeling

4.1.
De kantonrechter moet beoordelen of in deze zogenoemde deelgeschilprocedure voor recht kan worden verklaard dat Trigion aansprakelijk is voor het door [verzoekster] gestelde bedrijfsongeval op 19 december 2017.

4.2.
Het verweer van Trigion dat [verzoekster] niet ontvankelijk is in haar verzoek omdat in de beëindigingsovereenkomst een finaal kwijtingsbeding is opgenomen, faalt. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat artikel 11 van deze overeenkomst bepaalt dat de gebruikelijke rechten en plichten van partijen ter zake van het voortbestaan van de arbeidsovereenkomst tot de einddatum blijven bestaan. Alleen al daarom is niet vol te houden dat de getroffen kwijting ook betrekking heeft op eventuele aanspraken die [verzoekster] heeft op Trigion op grond van het ongeval dat haar ten tijde van het dienstverband is overkomen. Bovendien geldt dat Trigion er pas gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de instemming van [verzoekster] met de kwijting ook betrekking had op eventuele aanspraken op grond van het ongeval als [verzoekster] welbewust heeft ingestemd met deze strekking van de kwijting. Daarvan is niet gebleken.

4.3.
De kantonrechter is van oordeel dat het verzoek van [verzoekster] zich niet leent voor een behandeling en beoordeling in deze deelgeschilprocedure. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.4.
Een persoon die een ander aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt door letsel, kan de rechter verzoeken te beslissen over een deel van een geschil tussen partijen, waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.1

Gelet op het doel van een deelgeschilprocedure – het bevorderen van de buitengerechtelijke onderhandelingen – moet de rechter daarbij de investering in tijd, geld en moeite afwegen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst kan leveren.

4.5.
Deelgeschillen waarvan te verwachten is dat deze veel tijd kosten, bijvoorbeeld omdat bewijslevering en een deskundigenonderzoek nodig zijn, zullen zich minder lenen voor behandeling in een deelgeschilprocedure.

4.6.
De werknemer die op grond van artikel 7:658 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek schadevergoeding vordert, zoals hier het geval is, moet stellen en zo nodig bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de werkgever.2 Daarbij geldt dat niet van de werknemer kan worden verlangd dat hij ook aantoont hoe het ongeval zich heeft toegedragen of wat de oorzaak ervan is. Het is in beginsel ook aan de werknemer om te stellen en zo nodig te bewijzen dat een oorzakelijk verband bestaat tussen de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd en de uitoefening van de werkzaamheden.

4.7.
De kantonrechter stelt vast dat [verzoekster] inmiddels uiteenlopende verklaringen heeft afgelegd over het ongeval. In eerdere aansprakelijkstellingen en in het verzoekschrift is steeds gesteld dat [verzoekster] (vermoedelijk) is uitgegleden over een grote hoeveelheid bladeren en/of vuilvorming op de trap. Echter, op de zitting heeft [verzoekster] verklaard dat het op 19 december 2017 sneeuwde en vroor, en dat zij is uitgegleden over vastgevroren bladeren, waarbij er geen sprake was van een grote hoeveelheid bladeren. Op de vraag van de kantonrechter waarom [verzoekster] nu pas, en vijf jaar na het ongeval, verklaart dat het ongeval is ontstaan door bevroren bladeren, heeft [verzoekster] alleen geantwoord dat dit haar fout is.

4.8.
Als reactie op het door [verzoekster] op de zitting genoemde nieuwe aspect van bevroren bladeren, heeft Trigion aangevoerd dat de gemiddelde temperatuur op 19 december 2017 5,2 °C was. Dat is door [verzoekster] niet weersproken. De kantonrechter heeft de site van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut geraadpleegd en daaruit blijkt dat de minimumtemperatuur op 19 december 2017 niet onder het vriespunt is gekomen. Daarvan uitgaande kan de op de zitting door [verzoekster] afgelegde verklaring dat zij is uitgegleden over bevroren bladeren, niet kloppen.

4.9.
Verder heeft [verzoekster] tijdens de voortgezette zitting ter plaatse van het door haar gestelde ongeval verklaard dat zij van de eerste traptree is gevallen. Deze verklaring strookt niet met wat [verzoekster] kort daarvoor tijdens de zitting in de rechtbank nadrukkelijk heeft verklaard, te weten dat zij meteen bovenaan de trap al is uitgegleden.

4.10.
Gelet op de uiteenlopende verklaringen van [verzoekster] kan in deze deelgeschilprocedure niet worden vastgesteld wat er feitelijk is gebeurd bij het gestelde bedrijfsongeval op 19 december 2017. Zoals hiervoor al is overwogen, kan van een werknemer op zichzelf niet worden verlangd dat hij aantoont hoe het ongeval zich heeft toegedragen of wat de oorzaak ervan is. Maar dat neemt niet weg dat een werknemer wel voldoende gemotiveerd moet stellen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden en dat een oorzakelijk verband bestaat tussen de schade en de uitoefening van de werkzaamheden. Door de uiteenlopende verklaringen van [verzoekster] is geen sprake (meer) van een voldoende gemotiveerde en consistente stelling dat zij schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden. Daardoor is ook twijfel ontstaan over de vraag of en hoe het gestelde ongeval heeft plaatsgevonden, en of schade is geleden bij de uitoefening van de werkzaamheden. Om daarover duidelijkheid te verkrijgen is nadere bewijslevering nodig, onder meer door getuigen, maar daarvoor leent deze deelgeschilprocedure zich niet.

4.11.
Verder weegt de kantonrechter mee dat partijen verplicht zijn om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.3 Die verplichting heeft [verzoekster] niet nageleefd, omdat zij zonder duidelijke reden verschillende verklaringen heeft afgelegd over het gestelde ongeval, die deels niet met elkaar te verenigen zijn en deels niet kunnen kloppen. Daaraan verbindt de kantonrechter het gevolg dat ook daarom de verzoeken van [verzoekster] moeten worden afgewezen.

4.12.
Daarbij komt dat Trigion weliswaar de bewijslast heeft ten aanzien van de naleving van haar zorgplicht, maar zij heeft gemotiveerd gesteld en onderbouwd dat die zorgplicht is nageleefd. De vraag of de zorgplicht inderdaad is nageleefd, kan niet worden losgezien van de vraag of en hoe het ongeval heeft plaatsgevonden, en of [verzoekster] schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden. Ook in dit kader zal dus nader bewijs of tegenbewijs moeten worden geleverd door Trigion dan wel [verzoekster] . Mogelijk is ook nader deskundigenonderzoek nodig. Daarvoor leent deze deelgeschilprocedure zich evenmin.

4.13.
Nadere bewijslevering en nader (deskundigen-) onderzoek zullen ook veel tijd, kosten en moeite met zich meebrengen. Afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst kan leveren, moet het verzoek om een beslissing in dit deelgeschil daarom worden afgewezen. Voor de beoordeling en beantwoording van de verschillende vragen in deze zaak is het voeren van een gewone (bodem)procedure de aangewezen weg.

4.14.
De conclusie is dat deze zaak niet geschikt is voor een beoordeling in een deelgeschil en dat het verzoek van [verzoekster] dus moet worden afgewezen. De door [verzoekster] verzochte verklaring voor recht zal daarom worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor het verzoek om te bepalen dat Trigion de geleden en nog te lijden schade dient te vergoeden.

4.15.
De kantonrechter dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten, ook indien – zoals in dit geval – de verzoeken niet worden toegewezen. Uitgangspunt is dat de kosten voor rekening van de aansprakelijke partij komen. Aangezien de door [verzoekster] gevraagde verklaring voor recht wordt afgewezen, bestaat voor veroordeling tot betaling van de deelgeschilkosten geen ruimte. Er zal worden volstaan met de begroting van de kosten in verband met de deelgeschilprocedure.

4.16.
[verzoekster] maakt aanspraak op een bedrag van € 8.697,18 (36,5 uur x € 195,- + 21% btw), inclusief het griffierecht ad € 85,-. Trigion heeft geen verweer gevoerd tegen het aantal uren en/of het gehanteerde uurtarief. Daarom zullen de kosten worden begroot op € 8.697,18.ECLI:NL:RBNHO:2022:12464

1Artikel 1019w lid 1 Rv.
2Zie o.m. de uitspraak van de Hoge Raad van 4 mei 2001, te vinden op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:HR:2001:AB1430 (Bloemsma/Hattuma).
3Artikel 21 Rv.
4type: PY coll: