Overslaan en naar de inhoud gaan

RBMNE 021220 regres regelend verzekeraar; ongeval uit 1988, afgewikkeld in 2017, Reaal meent ten onrechte dat regresvordering is verjaard

RBMNE 021220 regres regelend verzekeraar; ongeval uit 1988, afgewikkeld in 2017, Reaal meent ten onrechte dat regresvordering is verjaard

2
De feiten

2.1.
Op 19 maart 1988 is een dan elfjarige jongen (hierna: de jongen) aangereden door een auto. Dat gebeurde toen hij de straat overstak. De jongen was kort daarvoor aan de overkant van de weg vlakbij zijn huis afgezet door een vrijwilliger van het sport- en spelevenement waaraan de jongen die dag had deelgenomen. Bij de aanrijding heeft de jongen ernstig letsel opgelopen. Zowel de bestuurder van de auto die de jongen heeft aangereden als de vrijwilliger die de jongen begeleidde zijn aansprakelijk gesteld voor de schade die de jongen ten gevolge van de aanrijding heeft geleden.

2.2.
Partijen zijn als aansprakelijkheidsverzekeraars bij dit letselschadedossier betrokken. Voor de auto was een Wettelijke aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen afgesloten bij Achmea en de organisator van het evenement was voor aansprakelijkheid van zijn vrijwilligers bij Reaal verzekerd.

2.3.
Achmea is opgetreden als regelend verzekeraar.

2.4.
Bij brief van 5 juni 1990 heeft Reaal zich bereid verklaard een aandeel van 25% in de totale schade van de jongen (hierna: de letselschade) bij te dragen. Aanvankelijk was toen het uitgangspunt dat de jongen 50% van zijn letselschade zou dragen en Achmea en Reaal ieder 25%.

2.5.
Na ontwikkelingen in de jurisprudentie hebben partijen dit gewijzigd en ingestemd met vergoeding van 100% van de letselschade. Het aandeel eigen schuld van de jongen kwam daarmee te vervallen. Hierop is tussen partijen discussie ontstaan over de schulddeling waarin ook is betrokken dat de betrokken vrijwilliger die de jongen begeleidde een aansprakelijkheidsverzekering had bij Achmea.

2.6.
Bij brief van 30 juli 1992 heeft Achmea aan Reaal bericht dat zij drie voorschotbetalingen van in totaal fl. 9.000,00 heeft gedaan en Reaal gevraagd de helft daarvan aan Achmea te betalen. Reaal heeft de gevraagde fl. 4.500,00 aan Achmea betaald.

2.7.
Bij brief van 29 januari 2007 heeft Reaal aan Achmea laten weten dat zij bereid is om 25% van de schade van de jongen te vergoeden.

2.8.
Achmea heeft in de periode van 18 oktober 1994 tot 10 januari 2017 in totaal € 395.748,83 aan voorschotbetalingen aan de jongen uitgekeerd. Op 10 januari 2017 heeft Achmea een slotuitkering van € 1.000.000,00 gedaan. Daarmee is de schade van de jongen afgewikkeld.

2.9.
Bij e-mail van 16 mei 2017 heeft Achmea aan Reaal gevraagd 25% van de schade te vergoeden. Reaal heeft dit geweigerd.

3
Het geschil

3.1.
Achmea vordert in deze procedure – na vermindering van eis – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Reaal veroordeelt om aan Achmea te betalen € 292.721,61 of – subsidiair – € 250.000,00, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.
Achmea legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Zowel Achmea als Reaal hebben namens hun verzekerde aansprakelijkheid erkend voor het ongeluk dat plaatsvond op 19 maart 1988. Op grond daarvan zijn zowel Achmea als Reaal gehouden die schade te vergoeden. Partijen zijn overeengekomen dat Achmea 75% en Reaal 25% van de schade voor haar rekening neemt. Omdat Achmea meer heeft betaald dan waartoe zij verplicht was heeft zij op grond van artikel 6:10 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een regresvordering op Reaal.

3.3.
Reaal betwist dat Achmea wettelijke regresvorderingen op haar heeft. Volgens haar is sprake van een vordering tot nakoming van de op 5 juni 1990 tussen partijen gesloten overeenkomst van schulddeling. Verder stelt Reaal dat die vordering – in absolute zin – is verjaard. Subsidiair doet zij een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Reaal concludeert tot afwijzing van alle vorderingen.

3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4
De beoordeling

Grondslag vordering

4.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de vordering van Achmea gebaseerd is op een wettelijk regresrecht en overweegt in dit verband als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat zowel Achmea als Reaal namens hun verzekerde aansprakelijkheid hebben erkend voor het ongeluk dat plaatsvond op 19 maart 1988. Op grond daarvan zijn zowel Achmea als Reaal gehouden de schade van de jongen te vergoeden. Artikel 6:102 lid 1 BW bepaalt dat als op ieder van twee of meer personen een verplichting tot vergoeding van dezelfde schade rust, zij hoofdelijk verbonden zijn. Achmea en Reaal zijn dus hoofdelijk aansprakelijk voor de verplichting tot vergoeding van de schade van de jongen.

4.2.
Tussen partijen is evenmin in geschil dat Achmea als regelend verzekeraar een bedrag van € 1.395.748,83 aan de jongen heeft uitgekeerd en dat Reaal daarvan nog niets heeft betaald.

4.3.
De hoofdregel van de interne draagplicht bij hoofdelijkheid staat in artikel 6:10 lid 1 BW. De hoofdelijke schuldenaar die aan de schuldeiser meer heeft betaald dan hem in de onderlinge verhouding van de schuldenaren aangaat, kan met een regresvordering van ieder van de overige schuldenaren betaling verlangen van het deel van dat meerdere dat hen in hun onderlinge verhouding aangaat.

4.4.
Hieruit volgt dat Achmea haar vordering terecht heeft gebaseerd op artikel 6:10 BW en dat haar vordering dus als een wettelijke regresvordering moet worden aangemerkt.

4.5.
Artikel 6:102 lid 1 BW bepaalt verder dat voor de bepaling van wat hoofdelijke schuldenaren krachtens artikel 6:10 BW in hun onderlinge verhouding jegens elkaar moeten bijdragen, de schade over hen wordt verdeeld met overeenkomstige toepassing van artikel 6:101 BW, tenzij uit wet of rechtshandeling een andere verdeling voortvloeit. Op grond van artikel 6:101 BW is de primaire verdelingsmaatstaf de wederzijdse causaliteit, maar daar kunnen de hoofdelijk schuldenaren dus bij overeenkomst andere afspraken over maken.

4.6.
Omdat Reaal in 2007 (nogmaals) te kennen heeft gegeven dat zij bereid is 25% van de schade te voldoen en Achmea er kennelijk in heeft berust dat de overige 75% dan voor haar rekening komt, moet het ervoor worden gehouden dat partijen deze verdeling hebben afgesproken.

4.7.
Het betoog van Reaal dat partijen door het sluiten van een overeenkomst van schulddeling niet langer hoofdelijk schuldenaar zijn vindt geen steun in genoemde wettelijke bepalingen en faalt daarom.

4.8.
Uit het voorgaande volgt – anders dan Reaal beweert – evenmin dat de afspraak tussen Achmea en Reaal over hun interne bijdrageplicht betekent dat de vordering van Achmea niet langer als een wettelijke regresvordering maar als een vordering tot nakoming van die schulddelingsovereenkomst moet worden beschouwd. Om regres te kunnen nemen op een medeschuldenaar moet op enig moment worden vastgesteld wie welk deel in de totale schade draagt (de onderlinge bijdrageplicht). Dit is onlosmakelijk verbonden met regres. Dat kan – zoals in deze zaak is gebeurd – door onderling een schulddeling af te spreken. Wettelijk regres en schulddeling kunnen dus naast elkaar bestaan. In de onderlinge verhouding tussen wettelijk regres en de afspraak over schulddeling ligt het primaat bij wettelijk regres. De schulddeling is daaraan ondergeschikt. Het maken van een afspraak over schulddeling waarbij enkel de onderlinge bijdrageplicht wordt vastgesteld, zorgt er niet voor dat de vordering niet langer als een regresvordering in de zin van artikel 6:10 lid 2 BW kan worden gezien. Dit geldt ook als een afspraak over schulddeling op toekomstige wettelijke regresvorderingen ziet.

Over de (absolute) verjaring

4.9.
Vervolgens komt de rechtbank toe aan de bespreking van het verweer van Reaal dat de regresvordering is verjaard. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

4.10.
In zijn arrest van 6 april 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BU3784, ASR/Achmea) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een regresvordering kwalificeert als een rechtsvordering tot vergoeding van schade. Op zo een rechtsvordering is het verjaringsregime van artikel 3:310 lid 1 BW van toepassing. Dat artikel bepaalt dat een vordering verjaart door verloop van vijf jaren na de dag, volgend op die waarop de benadeelde zowel met zijn schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden (de subjectieve verjaring) en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt (absolute verjaring).

4.11.
In zijn arrest van 15 mei 2020 (ECLI:NL:HR:2020:889; Achmea/Vivat) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij deelbetalingen per afzonderlijke deelbetaling een nieuwe regresvordering ontstaat en – in het verlengde daarvan – dat de verjaring steeds voor elke afzonderlijke deelbetaling aanvangt op de dag volgend op die waarop de deelbetaling is gedaan. Dat dit ook geldt in het geval van regresvorderingen in de zin van artikel 6:10 lid 2 BW beantwoordt de rechtbank met partijen bevestigend.

4.12.
Tussen partijen is dan ook niet (langer) in geschil dat de termijn voor de subjectieve verjaring steeds aanvangt op de dag na die waarop een afzonderlijke deelbetaling is gedaan. Achmea heeft Reaal op 16 mei 2017 gevraagd haar aandeel van 25% in de totale letselschade bij te dragen. Daarmee heeft Achmea voor een deel van de afzonderlijke regresvorderingen de verjaring gestuit. Partijen zijn het erover eens en ook de rechtbank komt tot de conclusie dat de deelbetalingen die Achmea vóór 16 mei 2012 – meer dan vijf jaar vóór de stuiting op 16 mei 2017 – heeft gedaan, in subjectieve zin zijn verjaard.

4.13.
Waar partijen het niet over eens zijn, is de vraag wanneer de absolute verjaringstermijn aanvangt en of de vordering van Achmea in absolute zin is verjaard. Reaal doet een beroep op absolute verjaring. Zoals hierboven genoemd, bepaalt artikel 3:310 lid 1 BW dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade in elk geval – in absolute zin – verjaart na verloop van twintig jaar na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Tussen partijen is in geschil wat hier de schadeveroorzakende gebeurtenis is. Reaal wijst het ongeval op 19 maart 1988 aan als de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt en die het begin van de absolute verjaringstermijn markeert. Volgens Reaal is de hele vordering van Achmea daarom in absolute zin verjaard. Achmea betwist dit. Volgens Achmea moet elke afzonderlijke deelbetaling als schadeveroorzakende gebeurtenis worden gezien.

4.14.
De rechtbank stelt voorop dat het regresrecht een zelfstandig recht is, dat in beginsel los staat van de verhouding met de benadeelde in het letselschadedossier. Er moet dus onderscheid worden gemaakt tussen de gebeurtenis waardoor de letselschade is veroorzaakt en de gebeurtenissen waardoor de schade van Achmea is veroorzaakt. De rechtbank is van oordeel dat de schade aan de zijde van Achmea, steeds wordt veroorzaakt door de afzonderlijke deelbetalingen als Achmea meer dan haar aandeel van 75% betaald. De schade van Achmea bestaat uit het meerdere dat Achmea dan heeft betaald en dat Reaal op grond van haar bijdrageplicht aan Achmea moet vergoeden. Dit vertaalt zich – in lijn met het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 15 mei 2020 – steeds in afzonderlijke regresvorderingen op Reaal. Omdat het moment van betaling steeds de schadeveroorzakende gebeurtenis is, begint de absolute verjaringstermijn – overigens net als de subjectieve verjaringstermijn in de zaak – te lopen op de dag na die waarop de betreffende (deel)betaling is gedaan. De regresvorderingen die na 16 mei 2012 zijn ontstaan en opeisbaar zijn geworden, zijn ook niet in absolute zin verjaard, omdat na de schadeveroorzakende gebeurtenissen nog geen twintig jaren zijn verstreken. Het beroep van Reaal op absolute verjaring faalt.

Over de redelijkheid en billijkheid

4.15.
Reaal doet tot slot een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid en plaatst de rechtbank voor de vraag of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (on)aanvaardbaar is dat Achmea onder de gegeven omstandigheden een rechtsvordering tegen Reaal heeft ingesteld. Bij de beantwoording van deze vraag is het volgende van belang.

4.16.
In zijn arrest van 6 april 2012 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat hoofdelijke schuldenaren in hun onderlinge verhouding verplicht zijn zich overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid te gedragen (artikel 6:8 in verbinding met artikel 6:2 BW). Dat geldt ook voor een regresvordering. De Hoge Raad heeft onder meer overwogen dat in gevallen waarin de regresvordering van artikel 6:10 lid 2 BW niet is verjaard, het niet is uitgesloten dat het instellen van die regresvordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is of dat de regresnemer zijn recht heeft verwerkt, op grond van feiten en omstandigheden die (mede) hebben plaatsgevonden voordat de regresvordering is ontstaan. Een voorbeeld is de omstandigheid dat de hoofdelijk schuldenaar al eerder wist dat de regresvordering zou ontstaan maar hij onvoldoende rekening heeft gehouden met de voor hem kenbare belangen van degene op wie hij later regres wil nemen.

4.17.
Reaal stelt dat het in haar belang is om – als hoofdelijk medeschuldenaar – door Achmea op de hoogte te worden gehouden van het verloop van de schadeafwikkeling en het beloop van de schade. Zij verwijt Achmea met dat belang geen rekening te hebben gehouden. Volgens Reaal heeft Achmea haar gedurende drie decennia niet op de hoogte gehouden van de schadeafwikkeling en de door haar gedane voorschotbetalingen. Bovendien stelt Reaal dat Achmea haar op 4 december 1992 heeft laten weten dat zij voor de schadeafwikkeling fl. 100.000,00 moest reserveren, wat niet in verhouding staat tot het bedrag dat Achmea nu van haar vordert. Daarom is het volgens Reaal naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Achmea nu aanspraak maakt op een bijdrage van 25% in de totale letselschade. Achmea betwist dit en voert aan dat Reaal sinds het ongeval in 1998 betrokken is bij het letselschadedossier en dat zij al die tijd wist dat zij aansprakelijk was en dat de letselschade nog moest worden afgewikkeld. Achmea stelt dat Reaal door het tijdverloop niet in haar belangen is geschaad.

4.18.
De rechtbank is van oordeel dat wat Reaal heeft aangevoerd onvoldoende is voor het oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Achmea nu aanspraak maakt op een bijdrage van Reaal van 25% in de totale letselschade. De rechtbank is als volgt tot dit oordeel gekomen.

4.19.
Aan Reaal moet worden toegegeven dat de handelwijze van Achmea geen schoonheidsprijs verdient en dat de communicatie onder de maat is geweest. Partijen zijn echter beiden professionele verzekeraars en het afwikkelen van schades behoort tot hun kerntaken. Reaal was ermee bekend dat de afwikkeling van letselschades bij kinderen lang kan duren. Verder is het niet ongebruikelijk dat de regelend verzekeraar – hier is dat Achmea – de letselschade eerst volledig afwikkelt en vervolgens met zijn medeschuldenaren afrekent. Tussentijds overleg is daarbij niet nodig. Niet gesteld of gebleken is dat Reaal door de gedragingen van Achmea en de hoogte van de vordering in financiële moeilijkheden is geraakt of anderszins in haar belangen is geschaad. Onder deze omstandigheden faalt het beroep van Reaal op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid.

Conclusie

4.20.
De rechtbank concludeert dat de vordering van Achmea een regresvordering is in de zin van artikel 6:10 lid 2 BW. De regresvorderingen die door de afzonderlijke deelbetalingen na 16 mei 2012 zijn ontstaan, zijn niet (absoluut) verjaard. Het meerdere van die deelbetalingen boven haar eigen aandeel kan Achmea op Reaal verhalen. Omdat het bovendien naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is dat Achmea nu aanspraak maakt op een bijdrage van Reaal van 25% over de deelbetalingen na 16 mei 2012, wijst de rechtbank de vordering van Achmea toe. ECLI:NL:RBMNE:2020:6025