Overslaan en naar de inhoud gaan

RBNNE 080323 fietser op e-bike botst bij (invallende) duisternis op donker geklede voetganger ter rechterzijde van fietspad, voetganger niet aansprakelijk

RBNNE 080323 fietser op e-bike botst bij (invallende) duisternis op donker geklede voetganger ter rechterzijde van fietspad, voetganger niet aansprakelijk
- verzocht 19,83 uur x € 250,00 + 21%, toegewezen 15 uur x € 250,00 + 21% = € 4537,50

2De feiten

2.1.

Op 27 januari 2022 is [verzoeker] als bestuurder van een fiets in het begin van de avond op een fietspad aan de [straatnaam] te [plaatsnaam] tegen [verweerster] als voetganger aangereden. Beide partijen zijn daarbij ten val gekomen. Als gevolg van deze val heeft [verzoeker] een incomplete dwarslaesie opgelopen waarvan hij blijvende klachten en beperkingen van ondervindt. Tot en met 15 mei 2022 heeft [verzoeker] zijn werkzaamheden als beroepschauffeur niet kunnen verrichten. Thans is hij weer volledig arbeidsgeschikt.

2.2.

Van dit ongeval is door de Politie eenheid Noord-Nederland een registratie-set opgesteld waarin, voor zover van belang, is vermeld":

"Toedracht

1: [verweerster]

2: [verzoeker]

  1. Liep op de [straatnaam] in de richting van [plaatsnaam] . 1 Liep in het donker, in het donker gekleed,zonder verlichting of reflectering, aan de rechterzijde van het fietspad.

  2. Reed in dezelfde richting. 2 Voerde verlichting op zijn fiets. 2 Fietste op een elektrische fiets,geschatte snelheid zo'n 25km/h.

Door de duisternis zag 2 1 te laat. Hierdoor is 2 in botsing gekomen met 1. Beide partijen zijn hierdoor ren val gekomen. 2 heeft hierdoor aanzienlijk letsel opgelopen".

2.3.

Bij brief van 18 februari 2022 heeft (de gemachtigde van) [verzoeker] [verweerster] en haar aansprakelijkheidsverzekeraar Univé aansprakelijk gesteld voor het ongeval en de gevolgen daarvan.

2.4.

Bij emailbericht van onder meer 8 maart 2022 heeft Univé namens [verweerster] het standpunt ingenomen dat de handelswijze dan wel de gedraging van [verweerster] niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt en daarom de aansprakelijkheid van de hand wordt gewezen.

Het geschil

3.1. [

verzoeker] , verzoekt de rechtbank, om, bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te verklaren voor recht dat [verweerster] aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade naar aanleiding van het ongeval dat plaatsvond op 27 januari 2022 en gehouden is deze schade volledig te vergoeden;

  2. te verklaren voor recht dat Univé gehouden is tot rechtstreekse betaling aan [verzoeker]van al hetgeen zij op grond van de verzekeringsovereenkomst met [verweerster] aan haar verschuldigd is;

  3. [verweerster] en Univé hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit deelgeschil op de voet van het bepaalde in artikel 1019aa Rv jo artikel 6:96 lid 2 BW, zijnde een bedrag van € 6.312,57, te vermeerderen met het griffierecht en de kosten van verdere behandeling van het verzoekschrift na indiening daarvan, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.

3.2. [

[verzoeker] heeft - kort gezegd - het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Op grond van het bepaalde in artikel 6:162 BW zijn [verweerster] en Univé aansprakelijk voor het ontstaan van het ongeval en de daaruit voor [verzoeker] voortvloeiende schade. [verweerster] heeft een zorgvuldigheidsnorm geschonden, omdat zij een gevaarlijke situatie heeft gecreëerd waardoor de val en het letsel is veroorzaakt. Zij was als voetganger op geen enkele wijze in het donker zichtbaar, heeft er voor gekozen om aan de rechterzijde van het fietspad te lopen en heeft nagelaten om achterom te kijken. [verzoeker] heeft [verweerster] in het geheel niet gezien en kon niet meer anticiperen om het ongeval te voorkomen. [verzoeker] verzoekt de kosten van procedure ex artikel 1019x Rv voor de periode tot en met het indienen van dit verzoekschrift te begroten op € 4.957,50 exclusief btw en griffierecht.

3.3. [

[verweerster] en Univé hebben gemotiveerd verweer gevoerd, waarbij zij hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid dan wel tot afwijzing van de verzoeken. Kort gezegd betwist [verweerster] dat zij aansprakelijk is jegens [verzoeker] , omdat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld. Bij zelfstandig tegenverzoek hebben [verweerster] en Univé verzocht te verklaren voor recht dat op hen geen schadevergoedingsplicht rust, althans te verklaren voor recht dat op [verweerster] en Univé een schadevergoedingsplicht rust waarvan het percentage door uw rechtbank in goede justitie zal worden bepaald, zijnde minder dan 50%.

4De beoordeling

4.1.

Hetgeen partijen verdeeld houdt, betreft - kort gezegd - de vraag naar (de omvang van) de aansprakelijkheid. Op zichzelf beschouwd valt dit verzoek binnen de omschrijving van artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Met een oordeel over de aansprakelijkheid en de omvang ervan kan de impasse tussen partijen in beginsel worden doorbroken en zouden onderhandelingen kunnen worden gevoerd omtrent de afwikkeling van door [verzoeker] geleden schade.

4.2.

Voor de beantwoording van deze vraag is allereerst van belang wat voor een voertuig [verzoeker] bestuurde. De rechtbank gaat voorbij aan de door [verweerster] opgeworpen stelling dat de fiets waarop [verzoeker] reed, kan worden aangemerkt als een motorvoertuig in de zin van artikel 185 Wegenverkeerswet 1994 (WVW). [verweerster] heeft deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd, terwijl dit wel op haar weg had gelegen, nu [verzoeker] gemotiveerd heeft gesteld dat hij op een e-bike (Bianci T-Tronic Sport) reed, waarvan de snelheid begrensd was op 25 kilometer per uur. Bij dit oordeel heeft de rechtbank ook betrokken dat er in het politierapport melding wordt gemaakt van een elektrische fiets en niet van een speed pedelec. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat [verzoeker] op een e-bike reed. Het moet er dus voor moet worden gehouden dat er sprake is van een fiets met trapondersteuning die niet is te beschouwen als een motorrijtuig in de zin van de WVW (artikel 1 lid 1 onder c WVW). Dit heeft tot gevolg dat [verzoeker] en [verweerster] als fietser en voetganger op gelijkwaardige wijze aan het verkeer deelnamen.

4.3.

De rechtbank stelt vast dat de toedracht van het ongeval niet exact duidelijk is geworden. [verzoeker] heeft over de toedracht van het ongeval gesteld dat hij [verweerster] in het geheel niet heeft gezien omdat zij niet zichtbaar was in het donker, er voor heeft gekozen om aan de rechterzijde (in plaats van de linkerzijde en tegen het verkeer in) van het fietspad te lopen en heeft nagelaten om achterom te kijken. [verweerster] heeft de lezing van [verzoeker] betwist. Volgens [verweerster] moet zij voor [verzoeker] zichtbaar zijn geweest omdat het op het moment dat het ongeval heeft plaatsgevonden niet donker was, maar er sprake was van nautische schemering. Bovendien heeft [verweerster] volgens haar wel verlichting gevoerd. Zij had de lampfunctie van haar smartphone ingeschakeld en scheen daarmee op het wegdek, aldus [verweerster] . Tot slot voert [verweerster] aan dat zij regelmatig achterom heeft gekeken, maar het voertuig van [verzoeker] niet heeft gezien.

4.4.

De rechtbank overweegt dat de stelplicht en de bewijslast terzake de toedracht van het ongeval van het ongeval ingevolge artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op [verzoeker] rust.

4.5.

Vast staat dat [verzoeker] met zijn fiets vanuit zijn werk op weg was naar huis. Hij reed met zijn fiets de route die hij al jaren op het fietspad rijdt. Verder staat vast dat het desbetreffende fietspad niet is voorzien van een daarnaast gelegen voetpad. Omdat een fietspad ontbrak, was [verweerster] op grond van artikel 4 lid 2 Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV) verplicht gebruik te maken van het fietspad. Dit heeft zij ook gedaan.

4.6.

Voorts is gelet op de discussie tussen partijen, van belang dat er geen rechtsregel is die bepaalt aan welke zijde van het fietspad een voetganger moet wandelen. Voor [verweerster] als voetganger gold ingevolge artikel 4 RVV dat zij gehouden was de berm of de uiterste zijde van het voetpad te gebruiken. Anders dan [verzoeker] heeft aangevoerd, bestaat voor voetgangers niet (meer) een wettelijke verplichting links (en aldus tegen de richting in) te lopen. Een voetganger dient zelf te beoordelen wat de veiligste kant van de weg is. De rechtbank is op grond van voorgaande van oordeel dat de keuze die [verweerster] heeft gemaakt om aan de rechterzijde van het fietspad te lopen dan ook niet als onvoorzichtig of gevaarzettend kan worden aangemerkt. Niet gesteld of gebleken is voorts dat [verweerster] bijzonder onvoorzichtig is geweest door plotseling in het midden van het fietspad te gaan lopen of een andere manoeuvre te maken en dat daardoor de val zou zijn veroorzaakt.

4.7.

De rechtbank is van oordeel dat in het midden kan blijven of het op het tijdstip van het ongeval reeds donker was of dat er sprake was van een nautische schemering. Zelfs als het reeds donker was op het moment van het ongeval en [verweerster] daardoor voor [verzoeker] niet of beperkt(er) zichtbaar is geweest, kan [verweerster] naar het oordeel van de rechtbank geen verwijt worden gemaakt. Ook in dat geval stond het [verweerster] vrij om op het fietspad te lopen en mocht zij dit aan de rechterzijde van het fietspad doen. Dat [verweerster] - zoals [verzoeker] heeft aangevoerd - in het donker geen verlichting heeft gevoerd (hetgeen overigens van de zijde van [verweerster] is betwist), kan ook niet tot een ander oordeel leiden. Dit is erin gelegen dat er geen wettelijke verplichting bestaat voor een voetganger om verlichting te voeren als het donker is.

4.8.

De rechtbank ziet dan ook niet in dat [verweerster] anders had moeten handelen dan zij in dit geval heeft gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het tussen partijen gevoerde debat niet worden vastgesteld dat [verweerster] een verwijt kan worden gemaakt. Het had - ook in het donker - op de weg van [verzoeker] gelegen om rekening te houden met andere verkeersdeelnemers op het fietspad en in zijn gedrag daarop te anticiperen.

4.9.

De rechtbank heeft geconstateerd dat het ongeval ernstige gevolgen heeft gehad voor [verzoeker] . Niet gebleken is dat [verzoeker] zelf (bijzonder) onvoorzichtig is geweest. Desalniettemin zal hij de kosten van het ongeval zelf moeten dragen nu [verweerster] daarvoor niet aansprakelijk kan worden gehouden.

4.10.

Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het verzoek is overwogen, kan het zelfstandig tegenverzoek van [verweerster] en Univé om voor recht te verklaren dat op hen geen schadevergoedingsplicht rust worden toegewezen. 

Kosten deelgeschil

4.11.

Ook als het verzoek wordt afgewezen dient in beginsel op grond van artikel 1019aa Rv begroting plaats te vinden van de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen (TK 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 12). In dat geval kan begroting van de kosten achterwege blijven.

4.12.

De advocaat van [verzoeker] vordert op de voet van artikel 1019aa Rv in totaal € 6.312,57 (waarvan € 4.957,50 aan honorarium, € 1.041,07 aan BTW en € 314,00 aan griffierecht). Daarbij is hij uitgegaan van 19,83 uur à € 250,00 per uur (te vermeerderen met 21% BTW) voor het voortraject, het opstellen van het verzoekschrift en de verdere kosten van de behandeling van de zaak ter zake van de mondelinge behandeling en de gemaakte reistijd. [verweerster] en Univé hebben bezwaar gemaakt tegen het aantal in rekening gebrachte uren. Zij zijn van mening dat de vordering tot vergoeding van de kosten van de procedure dient te worden gematigd, omdat deze niet voldoet aan de dubbele redelijkheidstoets.

4.13.

De rechtbank is van oordeel dat het deelgeschil niet volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. De rechtbank zal daarom tot begroting van de kosten overgaan.

4.14.

De rechtbank is van oordeel dat de door de advocaat van [verzoeker] begrote kosten niet aan het criterium van de dubbele redelijkheidstoets voldoet. Ten aanzien van de verrichte werkzaamheden wordt vooropgesteld dat een uurtarief van € 250,00 exclusief 21% btw voor een advocaat gespecialiseerd op het gebied van letselschade op zichzelf genomen niet als buitensporig wordt beschouwd en door de rechtbank redelijk wordt geacht. Wel mag bij hantering van een dergelijk tarief, te meer nu in het onderhavige geval ten aanzien daarvan meerdere verweren zijn gevoerd, (kritisch) gekeken worden naar de verrichte werkzaamheden en de daarvoor geschreven tijdsbesteding. De zaak is relatief eenvoudig en rechtvaardigt om die reden niet de volledige 19,83 uur die de advocaat in rekening brengt. De rechtbank acht het begrote aantal voor het bestuderen dossier, opstellen verzoekschrift, bestuderen verweerschrift, voorbereiding mondelinge behandeling en reistijd te ruim. Deze uren zullen worden gematigd. De rechtbank acht daarvoor een tijdsbesteding van 15 uren redelijk, zodat de totale tijdsbesteding daarop zal worden gesteld.

4.15.

De rechtbank zal de kosten van het deelgeschil dan ook begroten op € 250,00 x 15 uren = € 3.750,00 exclusief BTW en € 4.537,50 inclusief BTW en daarnaast de kosten van het griffierecht € 314,00.ECLI:NL:RBNNE:2023:2736